ECLI:NL:RBDHA:2016:2791
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij Turkse zelfstandige
Verzoeker, een Turkse zelfstandige, diende een verzoek tot voorlopige voorziening in tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier. Hij vorderde een verbod op uitzetting en rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000, om zo beperkingen in zijn bedrijfsvoering te voorkomen.
De voorzieningenrechter overwoog dat Turkse zelfstandigen zonder rechtmatig verblijf die bezwaar maken tegen een afwijzing in de regel niet worden uitgezet zolang het bezwaar loopt, tenzij zij vanuit strafrechtelijke trajecten of bijzondere controles onder de aandacht van de Dienst Terugkeer en Vertrek zijn gekomen. In dit geval was geen concrete dreiging van uitzetting aannemelijk gemaakt.
Verder stelde de rechter dat het verzoek feitelijk niet gericht was op het voorkomen van uitzetting, maar op het verkrijgen van rechtmatig verblijf, hetgeen niet via een voorlopige voorziening kan worden bereikt. Ook het argument dat verzoeker strafbaar zou zijn wegens het niet voldoen aan de identificatieplicht werd niet als spoedeisend belang erkend.
Ten slotte werd geoordeeld dat het verzoek om een voorlopig oordeel over het vragen van advies aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland een oneigenlijk gebruik van de procedure betrof. Gezien het ontbreken van onverwijlde spoed werd het verzoek afgewezen en was er geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en concrete dreiging van uitzetting.