ECLI:NL:RBDHA:2016:3075

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 januari 2016
Publicatiedatum
23 maart 2016
Zaaknummer
15_13594 en 15_13595
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:12 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 7:3 AwbArt. 8:81 AwbArtikel 14, derde lid, Richtlijn 2004/38/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging verblijfsrecht Unieburgers wegens ontbreken rechtmatig verblijf als economisch actief

Eiseres, een Bulgaarse Unieburger, verbleef sinds 30 juni 2014 in Nederland en ontving vanaf 7 oktober 2014 een bijstandsuitkering. Verweerder beëindigde haar verblijfsrecht op grond van artikel 8.12 Vreemdelingenbesluit 2000 omdat eiseres niet had voldaan aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als economisch actief of niet-actief lid van de Unie. Eiseres voerde aan dat het ontvangen van bijstand niet automatisch tot verlies van verblijfsrecht leidt, verwijzend naar de Verblijfsrichtlijn 2004/38/EG.

De rechtbank oordeelde dat eiseres niet heeft betwist dat zij niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 8.12 Vb en dat zij sinds vestiging niet heeft gewerkt noch heeft aangetoond in haar levensonderhoud te voorzien. Hierdoor kon zij geen rechtmatig verblijf ontlenen aan dit artikel en was beëindiging van het verblijfsrecht gerechtvaardigd. De rechtbank verwierp ook het verweer dat eiseres ten onrechte niet is gehoord, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tevens werd het verzoek om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen afgewezen omdat de hoofdzaak reeds werd beslist. De uitspraak werd gedaan door rechter E.B. de Vries-van den Heuvel op 18 januari 2016.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht van eiseres wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 15/13594 (beroep)
AWB 14/13595 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 18 januari 2016 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum 1] , van Bulgaarse nationaliteit,
eiseres, verzoekster,
hierna te noemen eiseres,
mede namens haar minderjarige dochter:
[naam],
geboren [geboortedatum 2] , van Bulgaarse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. L.K. Matpanӧzer, advocaat te Amsterdam),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,
(gemachtigde: mr. B. van Beers, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan (de rechtbank begrijpt: burger van de Unie) van eiseres beëindigd.
Bij besluit van 22 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft eiseres een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend dat ertoe strekt verweerder te verbieden eiseres uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.
Verweerder heeft op 24 december 2015 een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2016. Eiseres noch haar gemachtigde zijn - met voorafgaand bericht daarvan - verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Blijkens het ‘meldingsformulier EU-burger’ van de gemeente Velsen verblijft eiseres sinds 30 juni 2014 in Nederland. Sedert 7 oktober 2014 ontvangt zij een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand. Op 24 september 2014, 22 oktober 2014 en 6 november 2014 is eiseres uitgenodigd door IJmond werkt! voor een traject naar werk. Op 17 november 2014 heeft het bedrijfsbureau van IJmond werkt! besloten eiseres terug te melden naar de gemeente omdat zij niet in staat is aan het werk te gaan. Omdat eiseres de Nederlandse taal niet spreekt, wordt er geen traject naar werk opgestart.
2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, gelet op het feit dat eiseres sinds 30 juni 2014 staat ingeschreven in Nederland en sinds 7 oktober 2014 een bijstandsuitkering ontvangt, dient te worden vastgesteld of zij op enig moment heeft voldaan aan de vereisten voor het hebben van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8.12, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en of zij daaraan nog steeds voldoet. Omdat eiseres sinds haar vestiging in Nederland niet heeft gewerkt, heeft zij derhalve geen rechtmatig verblijf gehad als economisch actief Unieburger in de zin van artikel 8.12, eerste lid, onder a, Vb en evenmin als economisch niet actief burger van de Unie in de zin van dit artikel onder b, nu ze niet heeft aangetoond hoe zij in haar levensonderhoud en dat van haar kind voorzag in de periode voorafgaand aan het beroep op de publieke middelen. Dit leidt ertoe dat het kind van eiseres ook geen afhankelijk verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 8.12, eerste lid, onder d, Vb. Daarom heeft verweerder het verblijf van eiseres en haar dochter als burger van de Unie beëindigd. De beëindiging is een evenredig middel, nu eiseres een onevenredige last vormt voor de Nederlandse publieke middelen.
3. Eiseres voert aan dat het enkele beroep op een bijstandsuitkering niet per definitie impliceert dat het rechtmatig verblijf van burger van de Unie komt te vervallen. Dit vloeit rechtstreeks voort uit artikel 14, derde lid, van de Richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: Verblijfsrichtlijn), waarin staat vermeld dat een beroep van de Unieburger en zijn familie op het sociale bijstandsstelsel van het gastland niet automatisch leidt tot een verwijderingsmaatregel. Tevens vloeit dit voort uit punt 16 van de considerans van de Verblijfsrichtlijn. Zonder motivering is verweerder voorbij is gegaan aan de persoonlijke omstandigheden van eiseres. De verblijfsbeëindiging is geen evenredig middel.
3.1
De rechtbank concludeert dat verweerder heeft vastgesteld dat eiseres niet op enig moment heeft voldaan aan de in artikel 8:12, eerste lid, Vb neergelegde voorwaarden voor verblijf als economisch (niet) actief burger van de Unie, hetgeen niet is betwist door eiseres. Nu daarmee vaststaat dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft ontleend aan artikel 8.12 Vb, kan van beëindiging van rechtmatig verblijf geen sprake zijn. Gelet hierop, kunnen de gronden die eiseres heeft aangevoerd tegen de verblijfsbeëindiging niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
4. Voorts voert eiseres aan dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord.
4.1
De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond. Uit het bezwaarschrift, bezien in het licht van het primaire besluit en de wettelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn, was op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst van het geschil had kunnen leiden. Verweerder heeft daarom op goede gronden geoordeeld dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond was als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7. Nu de gronden van beroep niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een onrechtmatig besluit, wordt het verzoek om schadevergoeding reeds daarom afgewezen.
Verzoek om een voorlopige voorziening
8. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
9. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond; - - wijst het verzoek om schadevergoeding af.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries-van den Heuvel, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I. Boland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2016.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Coll:

Rechtsmiddel