Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres] ,
hierna te noemen eiseres,
mede namens haar minderjarige dochter:
[naam],
Rechtbank Den Haag
Eiseres, een Bulgaarse Unieburger, verbleef sinds 30 juni 2014 in Nederland en ontving vanaf 7 oktober 2014 een bijstandsuitkering. Verweerder beëindigde haar verblijfsrecht op grond van artikel 8.12 Vreemdelingenbesluit 2000 omdat eiseres niet had voldaan aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als economisch actief of niet-actief lid van de Unie. Eiseres voerde aan dat het ontvangen van bijstand niet automatisch tot verlies van verblijfsrecht leidt, verwijzend naar de Verblijfsrichtlijn 2004/38/EG.
De rechtbank oordeelde dat eiseres niet heeft betwist dat zij niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 8.12 Vb en dat zij sinds vestiging niet heeft gewerkt noch heeft aangetoond in haar levensonderhoud te voorzien. Hierdoor kon zij geen rechtmatig verblijf ontlenen aan dit artikel en was beëindiging van het verblijfsrecht gerechtvaardigd. De rechtbank verwierp ook het verweer dat eiseres ten onrechte niet is gehoord, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tevens werd het verzoek om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen afgewezen omdat de hoofdzaak reeds werd beslist. De uitspraak werd gedaan door rechter E.B. de Vries-van den Heuvel op 18 januari 2016.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht van eiseres wordt ongegrond verklaard.