Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 maart 2016 in de zaak tussen
[B.V. X], gevestigd te [plaats], eiseres
Rechtbank Den Haag
Eiseres kreeg een bestuurlijke boete opgelegd omdat zij over het kalenderjaar 2013 niet tijdig voldoende broeikasemissierechten had ingeleverd. De boete was gebaseerd op het feit dat zij 1561 emissierechten te weinig had ingeleverd vóór de wettelijke deadline van 1 mei 2014. Eiseres voerde aan dat de verplaatsing van haar bedrijfsactiviteiten als tijdelijke stopzetting had moeten gelden, waardoor rechten niet vervielen, en dat zij tijdig inspanningen had verricht om rechten over te boeken en zelfs een spoedaankoop had gedaan. Tevens stelde zij dat de boete niet in verhouding stond tot de waarde van de rechten en dat het evenredigheidsbeginsel toepassing vond.
De rechtbank oordeelde dat het besluit tot intrekking van de emissievergunning formele rechtskracht had en dat de verplichting tot tijdige inlevering strikt is, zoals bevestigd door het arrest Billerud van het Hof van Justitie. Het feitelijke bezit van emissierechten op 1 mei is niet relevant; het gaat om daadwerkelijke inlevering. De rechtbank stelde vast dat eiseres niet tijdig de noodzakelijke acties had ondernomen en dat er geen sprake was van overmacht. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat de normatieve keuze van de Uniewetgever voor een forfaitaire boete gebaseerd is op complexe economische en technische overwegingen en de rechter deze keuze niet mag vervangen tenzij sprake is van een kennelijk onjuiste keuze.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boete wegens niet tijdig inleveren van broeikasemissierechten en verklaart het beroep ongegrond.