ECLI:NL:RBDHA:2016:3820

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 april 2016
Publicatiedatum
11 april 2016
Zaaknummer
C-09-484745-HA ZA 15-319
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 BWArt. 3:51 BWArt. 7 GrondwetArt. 10 EVRMArt. 19 IVBPR
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigverklaring beperkende contractbepalingen op vrijheid van meningsuiting journalist

De zaak betreft een geschil tussen een journalist en de Staat over een overeenkomst die beperkingen oplegde aan de verspreiding van foto’s gemaakt in detentiecentra. De journalist had een fotoreportage gemaakt en wilde de foto’s ook buiten het oorspronkelijke tijdschrift verspreiden, maar de Staat stelde voorwaarden waaronder alleen met voorafgaande toestemming verspreiding was toegestaan.

De rechtbank oordeelde dat deze contractuele bepalingen de vrijheid van meningsuiting van de journalist op ongeoorloofde wijze beperken. De bepalingen zijn in strijd met artikel 7 van Pro de Grondwet en artikel 10 EVRM Pro, omdat zij het verspreidingsrecht afhankelijk stellen van inhoudelijke toestemming van de Staat zonder duidelijke criteria en zonder wettelijke basis.

De Staat voerde aan dat beperkingen gerechtvaardigd waren ter bescherming van de openbare orde en op grond van de Penitentiaire beginselenwet, maar dit werd verworpen omdat de wet geen dergelijke bevoegdheid verleent en de Staat onvoldoende onderbouwde dat de beperkingen noodzakelijk waren.

De rechtbank stelde vast dat de journalist zijn grondrechten niet via een privaatrechtelijke overeenkomst kan laten beperken. De primaire vordering tot nietigverklaring van de bepalingen werd toegewezen, de subsidiaire vordering bleef onbesproken. De Staat werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart bepalingen in de overeenkomst nietig wegens ongeoorloofde beperking van de vrijheid van meningsuiting.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
Zittingsplaats Den Haag
zaaknummer / rolnummer: C/09/484745 / HA ZA 15-319
Vonnis van 6 april 2016
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. F.W. Verbaas te Alkmaar,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN(het Ministerie van Veiligheid en Justitie, de Dienst Justitiële Inrichtingen)
gevestigd te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.
Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 10 maart 2015 met producties;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • het tussenvonnis van 1 juli 2015 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;
  • het proces-verbaal van comparitie van 4 november 2015 en de daarin genoemde stukken;
  • de brief aan de zijde van de Staat van 11 november 2015;
  • de brief aan de zijde van [eiser] van 17 november 2015 met bijlage;
  • de akte uitlating aan de zijde van de Staat van 9 december 2015;
  • de brief aan de zijde van [eiser] , ingekomen op de griffie van deze rechtbank van 11 januari 2016, met bijlage.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Bij brief van 14 maart 2014 heeft [eiser] een verzoek ingediend bij de persvoorlichter van de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) tot het maken van een fotoreportage en videobeelden van de vreemdelingenbewaring. De reportage was bedoeld voor een reportage in het tijdschrift [het Tijdschrift] . [eiser] heeft in zijn brief tevens verzocht de reportage daarna ook voor andere media te mogen gebruiken.
2.2.
Bij e-mail van 30 april 2014 heeft de Staat het verzoek van [eiser] tot het maken van de reportage afgewezen. Op 28 augustus 2014 heeft [eiser] de Staat in kort geding gedagvaard en gevorderd de Staat te gebieden om [eiser] toestemming en medewerking te verlenen om de reportage te mogen maken. In dat kort geding is de behandeling na de zitting van 30 september 2014 aangehouden ten behoeve van minnelijk overleg tussen partijen.
2.3.
Bij brief van 2 oktober 2014 heeft de Staat aan [eiser] laten weten te willen meewerken aan de fotoreportage, mits [eiser] een door de Staat gehanteerd standaardcontract zou ondertekenen. Dit standaardcontract houdt - voor zover van belang - de volgende bepalingen in:
Artikel 2 Voorwaarden Pro
2.1
De foto’s zijn uitsluitend en alleen ten behoeve van de publicatie in [het Tijdschrift] . De fotoselectie wordt exclusief gebruikt door [het Tijdschrift] . Het is fotograaf [eiser] en/of [het Tijdschrift] niet toegestaan de foto’s te verspreiden zonder toestemming van DJI.
(…)
2.4
De productie of gedeelten ervan mogen niet zonder schriftelijke toestemming van DJI voor andere toepassing dan in deze overeenkomst omschreven worden gebruikt. De productie of gedeelten ervan mogen niet zonder schriftelijke toestemming van DJI aan derden ter beschikking worden gesteld.
(…)
2.7
Foto’s worden uitsluitend met duidend onderschrift of duidende tekst gepubliceerd. Teksten worden vooraf gecontroleerd door DJI op feitelijke onjuistheden. Dit met als doel de correcte context waarin de foto’s worden gepubliceerd te kunnen garanderen.
2.8
De foto’s gepubliceerd in het kader van bovengenoemde fotoreportage van [het Tijdschrift] , mogen worden gebruikt ten behoeve van het portfolio van de fotograaf. De foto’s worden hier in lage resolutie verwerkt om gebruik of misbruik door derden te voorkomen en worden voorzien van een fotobijschrift om de correcte context waarin de foto’s worden getoond te garanderen. De bijschriften worden voor publicatie door DJI gecontroleerd op feitelijke onjuistheden.
Artikel 3 correctie Pro c.q. verbod
DJI wordt in de gelegenheid gesteld vooraf de te publiceren producties (foto’s en tekst) te zien teneinde feitelijke onjuistheden te corrigeren. DJI zal de (gedeeltelijke) uitzending of publicatie verbieden indien:
- De productie wordt gebruikt voor een ander medium of organisatie zonder schriftelijke toestemming
- De foto’s worden gebruikt voor een productie met een andere strekking dan vooraf is afgesproken
(…)”
2.4.
[eiser] heeft de conceptovereenkomst in eerste instantie niet getekend. Het overleg dat tussen partijen heeft plaatsgevonden na de zitting van 30 september 2014 heeft niet tot een minnelijke oplossing van het geschil geleid. Bij vonnis van 29 januari 2015 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiser] afgewezen en geoordeeld dat de bepalingen in de conceptovereenkomst niet in strijd zijn met artikel 10 EVRM Pro.
2.5.
Op 17 februari 2015 heeft [eiser] de door de Staat opgestelde overeenkomst alsnog getekend. Ook [het Tijdschrift] was partij bij de overeenkomst.
2.6.
Op 25 februari 2015 heeft [eiser] appel ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter. Inzet van de appelprocedure was niet langer dat [eiser] in staat zou worden gesteld zijn fotoreportage te maken, maar dat hij niet gebonden wenst te zijn aan de beperkingen die in de overeenkomst zijn opgenomen ten aanzien van het verdere gebruik van deze foto’s voor andere publicatie.
2.7.
Op 13, 20 en 21 april 2015 heeft de Staat [eiser] in de gelegenheid gesteld om zijn reportage in de verschillende detentiecentra te maken. Een aantal van de door [eiser] gemaakte foto’s is inmiddels in [het Tijdschrift] gepubliceerd.
2.8.
Bij arrest van 29 december 2015 heeft het gerechtshof in Den Haag het vonnis van de voorzieningenrechter van 29 januari 2015 vernietigd en de Staat gelast om te gedogen dat [eiser] de foto’s die hij met toestemming van de Staat in een aantal penitentiaire inrichtingen heeft gemaakt ter beschikking stelt voor publicatie aan media en NGO’s. Daarbij heeft het gerechtshof overwogen dat de artikelen 2.1, 2.4, 2.7, 2.8 en 3 van de overeenkomst onverbindend zijn wegens strijd met artikel 7 Grondwet Pro en artikel 10 EVRM Pro.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad primair nietigverklaring van de artikelen 2.1, 2.4, 2.7, 2.8 en 3 van de overeenkomst. Subsidiair vordert [eiser] vernietiging van die bepalingen.
3.2.
Aan zijn primaire vordering legt [eiser] ten grondslag dat met de genoemde contractuele bepalingen zijn grondrechten worden ingeperkt, nu de bepalingen in strijd zijn met artikel 7 van Pro de Grondwet. Voorts zijn genoemde bepalingen in strijd met artikel 10 van Pro het EVRM en met artikel 19 IVBPR Pro. Om die reden zijn deze bepalingen uit de overeenkomst in strijd met de openbare orde en dus nietig, aldus [eiser] .
3.3.
Aan zijn subsidiaire vordering legt [eiser] ten grondslag dat de Staat misbruik van omstandigheden heeft gemaakt door slechts medewerking te verlenen aan de fotoreportage na voorafgaande toestemming en redactionele controle door de Staat op de publicatie van de reportage door anderen dan [het Tijdschrift] . Voorts heeft de Staat misbruik van zijn eigendomsrecht gemaakt en daarmee onrechtmatig jegens hem gehandeld, aldus [eiser] .
3.4.
De Staat voert verweer.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vraag die dient te worden beantwoord, is of de artikelen 2.1,2.4, 2.7, 2.8 en 3 van de overeenkomst nietig zijn in de zin van artikel 3:40 lid 1 BW Pro. Het betoog van [eiser] komt erop neer dat voornoemde bepalingen in strijd zijn met het fundamentele rechtsbeginsel van vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in artikel 7 Grondwet Pro, artikel 10 EVRM Pro en artikel 19 IVBPR Pro. De bepalingen uit de overeenkomst maken een ongeoorloofde inbreuk op zijn vrijheid van meningsuiting en zijn daarom strijdig met de openbare orde en dus nietig, aldus [eiser] . Dit betoog slaagt. De rechtbank overweegt daartoe – mede op basis van het arrest van het gerechtshof van 29 december 2015 – als volgt.
4.2.
Artikel 3:40 lid 1 BW Pro bepaalt dat een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, nietig is. Van strijdigheid met de openbare orde is sprake indien de overeenkomst in strijd komt met fundamentele beginselen.
4.3.
Artikel 7 Grondwet Pro bepaalt dat niemand voorafgaand verlof nodig heeft om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren. Tevens ligt in artikel 7 Grondwet Pro het recht op verspreiding van door drukpers geopenbaarde gedachten en gevoelens besloten. Weliswaar mag het verspreidingsrecht – anders dan het kernrecht – worden beperkt, maar die beperkingsbevoegdheid is wel begrensd; de beperking mag geen algeheel verbod inhouden en zij mag ook geen betrekking hebben op de inhoud (zie onder meer het (nog altijd geldende) arrest van de Hoge Raad van 24 januari 1967, ECLI:NL:HR:1967:AD3700). De vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in artikel 7 Grondwet Pro is naar het oordeel van de rechtbank een fundamenteel beginsel als bedoeld in artikel 3:40 BW Pro. Het behoort tot de pijlers van de rechtsstaat en waarborgt het recht om politieke opvattingen te hebben en kritiek op de overheid en het openbaar bestuur te kunnen uiten.
4.4.
Gelet op het bepaalde in artikel 7 Grondwet Pro staat het [eiser] vrij zijn gedachten of gevoelens in de door hem gemaakte foto’s vast te leggen en te verspreiden. Met de overeenkomst wordt het recht van [eiser] op verspreiding van zijn foto’s evenwel op ongeoorloofde wijze beperkt, nu het recht op verspreiding afhankelijk is gesteld van vooraf door de Staat te verlenen verlof wegens de inhoud. De Staat heeft immers bedongen dat [eiser] de foto’s uitsluitend mag verspreiden aan anderen dan [het Tijdschrift] , nadat de Staat zijn toestemming daarvoor heeft gegeven. In de overeenkomst is voorts bepaald dat toestemming tot verspreiding zal worden geweigerd, indien de foto’s met een andere strekking dan vooraf afgesproken worden verspreid. Bij de vraag of hij toestemming zal verlenen, beoordeelt de Staat de foto’s derhalve op hun inhoud. De overeenkomst is bovendien niet duidelijk over de vraag langs welke criteria de Staat het verzoek tot verspreiding van [eiser] zal beoordelen en wanneer de Staat zijn toestemming tot verspreiding al dan niet zal verlenen. Voorts heeft de Staat zich het recht voorbehouden de duiding bij de foto’s op feitelijke juistheid te mogen controleren. Ook dat behelst een bemoeienis op de inhoud van de te verspreiden publicatie. Immers, ook over de vraag of de duidende tekst feitelijk juist is, kan verschil van mening bestaan. De door de Staat bedongen beperkingen zijn dan ook in strijd met artikel 7 Grondwet Pro en dus met de openbare orde zoals bedoeld in artikel 3:40 lid 1 BW Pro.
4.5.
Het feit dat [eiser] heeft ingestemd met de door de Staat gestelde voorwaarden door de overeenkomst te ondertekenen doet aan het voorgaande niet af. Zoals door [eiser] terecht is aangevoerd, kunnen de rechten die hij aan artikel 7 Grondwet Pro kan ontlenen niet via een privaatrechtelijke overeenkomst worden ingeperkt.
4.6.
De Staat heeft nog aangevoerd dat het recht op verspreiding op grond van artikel 10 lid 2 EVRM Pro en artikel 19 lid 3 IVBPR Pro mag worden beperkt ter voorkoming van wanordelijkheden en ter bescherming van de openbare orde. De wettelijke grondslag daarvoor is gelegen in artikel 3 van Pro de Penitentiaire beginselenwet (Pbw), aldus de Staat.
4.7.
Dit betoog faalt. Weliswaar bieden de door de Staat aangehaalde artikelen beperkingsmogelijkheden van het recht op vrijheid van meningsuiting, maar een dergelijke beperking is om te beginnen slechts toegestaan indien zij bij wet is voorzien. Het beroep dat de Staat in dit verband heeft gedaan op artikel 3 Pbw Pro is daarvoor niet toereikend, nu dat artikel slechts bepaalt dat het beheer van een inrichting bij de directeur berust. Het artikel verleent de directeur van de inrichting geen bevoegdheid om de verspreiding van de door een journalist in de inrichting gemaakte foto’s te beperken. Aan het vereiste dat de beperking bij wet is voorzien wordt derhalve niet voldaan.
4.8.
Voorts wordt naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het vereiste dat de beperking noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving. De Staat heeft in dit kader betoogd dat verspreiding van de foto’s tot wanordelijkheden kan leiden, maar die stelling heeft hij onvoldoende onderbouwd. Op de foto’s zijn geen bewoners of medewerkers afgebeeld, zodat de privacy van de bewoners in ieder geval niet in het geding is. De rechtbank ziet voorts niet in dat mogelijk onjuiste bijschriften tot onrust kunnen leiden in de inrichtingen. Ook om die reden faalt het betoog van de Staat dat de beperkingen geoorloofd zijn op grond van artikel 10 lid 2 EVRM Pro c.q. artikel 19 lid 3 IVBPR Pro.
4.9.
De Staat heeft voorts nog aangevoerd dat de gestelde voorwaarden binnen de in de journalistiek ontwikkelde professionele verplichting van hoor en wederhoor vallen. Nog daargelaten dat dit eigen gedragsregels van de journalistiek zijn waar de Staat geen rechten aan kan ontlenen, gaan de door de Staat bedongen voorwaarden verder dan deze professionele gedragsregel. Met de litigieuze bepalingen heeft de Staat immers niet louter bedongen om te worden gehoord, maar ook dat [eiser] de foto’s alleen mag verspreiden nadat de Staat zijn toestemming tot verspreiding van de foto’s heeft verleend.
4.10.
Ook de omstandigheid dat [eiser] (ook) financiële belangen heeft bij de verspreiding van de fotoreportage, doet aan de bescherming van het grondrecht geen afbreuk. Artikel 7 Grondwet Pro noch de artikelen 10 EVRM en 19 IVBPR kennen op dit punt een uitzondering.
4.11.
De Staat heeft onder verwijzing naar artikel 3:51 BW Pro nog aangevoerd dat het feit dat [het Tijdschrift] wel partij bij de overeenkomst is maar geen partij in de procedure, in de weg staat aan de nietigverklaring van de litigieuze contractsbepalingen. Dit betoog faalt. Artikel 3:51 BW Pro heeft betrekking op een rechtsvordering tot
vernietigingvan de overeenkomst en niet op een vordering tot nietigverklaring van een rechtshandeling. Bovendien is [het Tijdschrift] tijdens de procedure alsnog in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vordering van [eiser] .
4.12.
Het voorgaande leidt ertoe dat de primaire vordering zal worden toegewezen. De stellingen en weren ten aanzien van de subsidiaire vordering kunnen onbesproken blijven. De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 94,19
- griffierecht € 78,00
- salaris advocaat
€ 904,00(2 punten × € 452,00, tarief II)
Totaal € 1.076,19

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat de artikelen 2.1, 2.4, 2.7, 2.8 en 3 van de overeenkomst nietig zijn,
5.2.
veroordeelt de Staat in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € € 1.076,19,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Honée en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2016.