ECLI:NL:RBDHA:2016:4082
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J. Ghrib
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens misbruik van procesrecht bij Wob-verzoek verkeersboete
Eiser heeft op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en de Wet politiegegevens (Wpg) een uitgebreid verzoek ingediend om openbaarmaking van politiegegevens en documenten met betrekking tot een verkeersboete met een specifiek CJIB-nummer. Verweerder, de korpschef van Politie, heeft een besluit genomen waarbij een deel van de gevraagde documenten is verstrekt en een deel is geweigerd. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld en kwam tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens misbruik van procesrecht. De rechtbank stelde vast dat de verzoeken van eiser een onevenredig en onredelijk doel dienden, namelijk het genereren van dwangsommen en proceskostenvergoedingen, in plaats van het bewerkstelligen van transparantie. De rechtbank baseerde dit oordeel onder meer op het feit dat de lijst met gevraagde documenten identiek was aan lijsten die in andere Wob-verzoeken worden gebruikt en dat er online handleidingen bestaan om via Wob-verzoeken dwangsommen te incasseren.
De rechtbank benadrukte dat bevoegdheden zoals het indienen van Wob-verzoeken niet mogen worden misbruikt en dat het doel van het verzoek relevant is voor de beoordeling van misbruik. Gezien de professionele achtergrond van de gemachtigde van eiser en de aard van de verzoeken was het volgens de rechtbank duidelijk dat het verzoek niet diende voor het beoogde doel van openbaarmaking. De rechtbank wees het beroep daarom af en oordeelde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van procesrecht.