ECLI:NL:RBDHA:2016:4386
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij tijdelijke voogdij en ondertoezichtstelling minderjarigen met verblijf in België
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Den Haag om tijdelijke voogdij toe te wijzen over twee minderjarigen, waarbij een van hen bij een oom en tante in België verblijft. Primair werd gevraagd om tijdelijke voogdij toe te wijzen aan Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland en toestemming te verlenen voor plaatsing van de minderjarige in België. Subsidiair werd ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing gevraagd.
De rechtbank stelde vast dat de hoofdverblijfplaats van de moeder onbekend is en dat de minderjarige die in Nederland verblijft, formeel bij de moeder woont maar elders verblijft. Voor deze minderjarige werd de voogdij toegekend aan de Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland.
Voor de minderjarige die sinds juni 2015 bij oom en tante in België woont, oordeelde de rechtbank dat de gewone verblijfplaats van het kind in België ligt, gelet op inschrijving, schoolbezoek en sociale bindingen. Op grond van artikel 8 van Pro Verordening Brussel II bis heeft de Nederlandse rechter daarom geen rechtsmacht ten aanzien van deze minderjarige.
De beschikking werd uitgesproken door kinderrechter C.G. Meeder op 22 april 2016, waarbij de voogdij over de in Nederland verblijvende minderjarige werd toegewezen en de Nederlandse rechter geen rechtsmacht erkende voor de in België verblijvende minderjarige.
Uitkomst: Tijdelijke voogdij toegekend over in Nederland verblijvende minderjarige; geen rechtsmacht voor minderjarige in België.