ECLI:NL:RBDHA:2016:4710

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2016
Publicatiedatum
29 april 2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3327
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35b SWArt. 35c SWArt. 35d SWArt. 35e SWArt. 3.63 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen toepassing bedrijfsopvolgingsregeling bij verhuur tuinbouwbedrijf na overlijden erflater

Op 30 augustus 2010 overleed de erflater, die een tuinbouwbedrijf exploiteerde in een warenhuis. Eiseres en haar broer werden benoemd tot erfgenamen. De broer verhuurde het warenhuis vanaf 1 februari 2011 aan een derde. Eiseres verzocht om toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling bij de erfbelastingaanslag, maar de inspecteur wees dit af.

De kern van het geschil betrof de vraag of eiseres de onderneming van de erflater had voortgezet en of de verhuur het voortzettingsvereiste schond. Eiseres stelde dat verhuur geen staking van de onderneming betekende en dat de regeling daarom van toepassing was. Verweerder betoogde dat verhuur een nieuwe onderneming vormde, waardoor het voortzettingsvereiste niet werd gehaald.

De rechtbank stelde vast dat, indien er al sprake was van voortzetting, eiseres vanaf de verhuur geen winst meer uit de oorspronkelijke onderneming behaalde maar alleen uit verhuur. Dit betekent dat het voortzettingsvereiste zoals bedoeld in artikel 35e, eerste lid, onder a, van de Successiewet niet was voldaan. De bedrijfsopvolgingsregeling werd daarom terecht niet toegepast en het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het voortzettingsvereiste niet is voldaan door verhuur van het tuinbouwbedrijf.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 15/3327

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 januari 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats 1], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 4 maart 2014 een aanslag erfbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging van € 108.774.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Eisereses heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eisereses heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, gerepliceerd, waarna verweerder heeft gedupliceerd.
Eisereses heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2015.
Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen, bijgestaan door [persoon A] en
[persoon B] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon C] en
[persoon D] .
De zaak met procedurenummer SGR 15/3326 is met toestemming van partijen gelijktijdig met de zaak van eiseres ter zitting behandeld.

Overwegingen

1. Op 30 augustus 2010 is [persoon E] (erflater) overleden. Erflater exploiteerde een tuinbouwbedrijf in een warenhuis te [plaats 2] (het warenhuis).
2. Erflater heeft eiseres en haar broer tot zijn erfgenamen benoemd.
3. Blijkens een huurcontract van 30 januari 2011 heeft de broer van eiseres met ingang van 1 februari 2011 het warenhuis verhuurd aan een derde (de verhuur).
4. Eiseres heeft in haar aangifte erfbelasting verzocht om toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling. Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag de bedrijfsopvolgingsregeling niet toegepast.

Geschil5.In geschil is of eiseres recht heeft op toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling. Meer specifiek in geschil is of eiseres het tuinbouwbedrijf heeft voortgezet en zo ja, of door de verhuur het voorzettingsvereiste is geschonden.

6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij de onderneming van erflater heeft voortgezet en dat sprake is van verhuur van een onderneming, hetgeen niet leidt tot een staking in de zin van de Wet IB 2001. Nu de bedrijfsopvolgingsregeling in beginsel bij de Wet IB 2001 aansluit, is geen sprake is van een schending van het voortzettingsvereiste aldus eiseres.
7. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eiseres de onderneming van erflater niet heeft voortgezet. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat met de verhuur de oorspronkelijke onderneming van erflater, een tuinbouwbedrijf, niet is voortgezet en dat daarom wel sprake is van schending van het voortzettingsvereiste. De verhuur is volgens verweerder een nieuwe onderneming, zodat eiseres niet voor de bedrijfsopvolgingsregeling in aanmerking komt.
Beoordeling van het geschil
8. Ingevolge artikel 35b van de Successiewet 1956 (de SW) kan op verzoek van de verkrijger een voorwaardelijke vrijstelling worden verleend als tot de verkrijging ondernemingsvermogen behoort als bedoeld in artikel 35c, dat wordt verkregen in het kader van een bedrijfsopvolging als bedoeld in het vijfde lid.
9. Ingevolge artikel 35b, vijfde lid, van de SW wordt onder een bedrijfsopvolging verstaan: een verkrijging van ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35c, van een erflater of schenker die voldoet aan de bezitstermijn als bedoeld in artikel 35d, mits de verkrijger gedurende vijf jaren voldoet aan het voortzettingsvereiste, bedoeld in artikel 35e.
10. Ingevolge artikel 35e, eerste lid, onder a, van de SW voldoet een verkrijger onder meer niet aan het voortzettingsvereiste indien binnen vijf jaren ophoudt uit de onderneming, of een gedeelte daarvan, winst te genieten.
11. Tijdens de parlementaire behandeling is ten aanzien van de voortzettingsvereiste onder meer het volgende opgemerkt:
“In beginsel volgt de bedrijfsopvolgingsregeling voor de zogenoemde voortzettingseis het stakings- en vervreemdingsbegrip uit de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit kan anders zijn wanneer de specifieke aard van de bedrijfsopvolgingsregeling daarom vraagt. Indien bijvoorbeeld bij de overdracht van een onderneming gebruik wordt gemaakt van artikel 3.63 Wet IB 2001, wordt de onderneming voor de inkomstenbelasting geacht niet te zijn gestaakt. Deze niet-stakingsfictie werkt niet door naar de bedrijfsopvolgingsregeling. In zoverre bestaat er overigens geen wijziging ten opzichte van de huidige regeling.” (MvT, Kamerstukken II 2008 /09, 31 930, nr. 3, p. 46)
12. Zo al sprake is van een voortzetting van de onderneming door eiseres, hetgeen door verweerder wordt betwist, behaalt eiseres vanaf 1 februari 2011 geen opbrengsten meer uit de exploitatie van het tuinbouwbedrijf, maar geniet zij uitsluitend huuropbrengsten. De rechtbank is van oordeel dat eiseres, zo zij de onderneming al heeft voortgezet, zij met de verhuur ophoudt uit de onderneming winst te genieten als bedoeld in artikel 35e, eerste lid, onder a, van de SW, zodat niet aan het voorzettingsvereiste is voldaan. Voor het voortzettingsvereiste gaat het naar het oordeel van de rechtbank om voortzetting van de oorspronkelijke onderneming. De rechtbank acht niet van belang dat eiseres met de verhuur van het warenhuis winst uit onderneming geniet. De bedrijfsopvolgingsregeling is terecht niet toegepast.
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.F. Slijpen, voorzitter, en mr. S.E. Postema en
mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van mr. B.H. Suijkerbuijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,
2500 EA Den Haag.