Eiseres, een gezinslid van een Turkse werknemer, kreeg haar verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 4 oktober 2012 omdat haar referent belangrijke inkomenswijzigingen niet had gemeld. Verweerder stelde dat zonder deze informatie de vergunning niet was verleend. Eiseres betoogde dat intrekking met terugwerkende kracht in strijd is met de standstillbepaling van Besluit 1/80, die het invoeren van nieuwe beperkingen verbiedt.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de bewijslast draagt om aan te tonen dat in het verleden vergunningen met terugwerkende kracht werden ingetrokken, wat niet aannemelijk was gemaakt. Uit de Vreemdelingencirculaire 1982 bleek dat intrekking met terugwerkende kracht destijds niet mogelijk was. Verweerder kon zich ook niet beroepen op algemene rechtsbeginselen of eigen regelgeving om dit te rechtvaardigen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb en de standstillbepaling. De rechtsgevolgen van het besluit konden niet in stand blijven. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter H.B. van Gijn op 30 maart 2016.