In deze civiele procedure over kwekersrecht staat de rechtbank Den Haag gedaagde toe om tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen feit dat hij het beschermde ras OP 0802 herhaaldelijk heeft gebruikt voor het voortbrengen van zaden van het ras WT 8106. Het bewijsaanbod omvat onder meer deskundigenverklaringen en genotypische onderzoeken.
De rechtbank oordeelt dat het bewijsaanbod relevant en voldoende specifiek is, ondanks bezwaren van eiseres Enza Zaden Beheer B.V. over de mogelijke vertraging en het ontbreken van concrete namen van deskundigen. De rechtbank benadrukt het fundamentele recht op tegenbewijs en wijst erop dat de lange duur van de onderzoeken niet per definitie strijdig is met de goede procesorde.
Gezien de lange duur van het veredelingsproces en de mogelijke vertraging benoemt de rechtbank een rechter-commissaris die toezicht houdt op de voortgang van de bewijsvergaring. De zaak wordt aangehouden tot uiterlijk mei 2019, met tussentijdse rapportages elke zes maanden. Na overleg van het bewijsmateriaal krijgt eiseres gelegenheid tot reactie voordat een eindvonnis volgt.