ECLI:NL:RBDHA:2016:5262
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot herroeping gerechtelijke vaststelling vaderschap niet ontvankelijk wegens termijnoverschrijding
Verzoekster, als wettelijk vertegenwoordigster van een minderjarige, verzocht de rechtbank om herroeping van eerdere beschikkingen tot vaststelling van het vaderschap van een andere minderjarige. De gronden voor herroeping waren gebaseerd op nieuw DNA-onderzoek dat twijfel zou zaaien over het vaderschap.
De rechtbank oordeelde dat verzoekster en haar dochter ten onrechte niet als belanghebbenden waren aangemerkt in de eerdere procedure, waardoor zij in zoverre ontvankelijk waren in het verzoek. Echter, het verzoek tot herroeping moest binnen drie maanden na het bekend worden van de grond voor herroeping worden ingediend. De rechtbank stelde vast dat verzoekster al in november 2014 kennis had van de beschikking en dat de termijn derhalve op 18 februari 2015 was verstreken.
Het DNA-onderzoek van september 2015 leverde volgens de rechtbank geen nieuwe informatie op die de termijn opnieuw zou doen aanbreken. Verzoekster diende haar verzoek pas in op 17 november 2015, wat te laat was. Daarom werd zij niet-ontvankelijk verklaard. De proceskosten werden gecompenseerd en het meer of anders verzochte werd afgewezen.
Uitkomst: Verzoek tot herroeping van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is niet-ontvankelijk wegens te late indiening.