ECLI:NL:RBDHA:2016:5262

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2016
Publicatiedatum
17 mei 2016
Zaaknummer
C/09/500087 / FA RK 15-8934
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 390 RvArt. 382 RvArt. 383 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot herroeping gerechtelijke vaststelling vaderschap niet ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Verzoekster, als wettelijk vertegenwoordigster van een minderjarige, verzocht de rechtbank om herroeping van eerdere beschikkingen tot vaststelling van het vaderschap van een andere minderjarige. De gronden voor herroeping waren gebaseerd op nieuw DNA-onderzoek dat twijfel zou zaaien over het vaderschap.

De rechtbank oordeelde dat verzoekster en haar dochter ten onrechte niet als belanghebbenden waren aangemerkt in de eerdere procedure, waardoor zij in zoverre ontvankelijk waren in het verzoek. Echter, het verzoek tot herroeping moest binnen drie maanden na het bekend worden van de grond voor herroeping worden ingediend. De rechtbank stelde vast dat verzoekster al in november 2014 kennis had van de beschikking en dat de termijn derhalve op 18 februari 2015 was verstreken.

Het DNA-onderzoek van september 2015 leverde volgens de rechtbank geen nieuwe informatie op die de termijn opnieuw zou doen aanbreken. Verzoekster diende haar verzoek pas in op 17 november 2015, wat te laat was. Daarom werd zij niet-ontvankelijk verklaard. De proceskosten werden gecompenseerd en het meer of anders verzochte werd afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot herroeping van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is niet-ontvankelijk wegens te late indiening.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 15-8934
Zaaknummer: C/09/500087
Datum beschikking: 13 mei 2016

Beschikking op het op 17 november 2015 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

hierna: verzoekster,
optredend als wettelijk vertegenwoordigster van:
[de minderjarige 1](hierna: [de minderjarige 1] ),
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Spanje,
beiden wonende te [woonplaats] , Spanje,
advocaat mr. R.P. Slingerland te Breda.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[naam 1] ,

hierna: [naam 1] ,
mede in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van:
[de minderjarige 2](hierna: [de minderjarige 2] ),
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Argentinië,
beiden wonende te Nederland,
advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

[naam 2] ,

wonende te Argentinië,

[naam 3] ,

hierna: [naam 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

[naam 4] ,

hierna: [naam 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. W.A. Koers te Leusden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift van [naam 1] ;
- het verweerschrift van [naam 4] .
Op 11 april 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster met mr. L. Gremmen namens haar advocaat en [naam 5] , tolk in de Spaanse taal, [naam 1] met mr. B. Snoeij namens haar advocaat, [naam 3] en [naam 4] met zijn advocaat. [naam 2] is behoorlijk opgeroepen en niet verschenen.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot herroeping van de beschikkingen d.d. 13 januari 2014 en 7 april 2014 van deze rechtbank en - naar de rechtbank begrijpt - deze beschikkingen te vernietigen en de verzoeken waarop alstoen is beslist alsnog af te wijzen, zulks met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van [naam 1] in de kosten van de onderhavige procedure.
[naam 1] en [naam 4] voeren verweer, welk verweer - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

Feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende niet, althans onvoldoende, weersproken feiten:
- De vader van de minderjarige [de minderjarige 1] is [naam 6] , welke naam bij Koninklijk Besluit d.d. 6 augustus 1992 is gewijzigd in: [naam 6] , welke naam vervolgens bij Koninklijk Besluit d.d. 2 mei 2002 is gewijzigd in: [naam 6] . De vader van de minderjarige zal hierna worden aangeduid als: [naam 6] .
- [de minderjarige 1] is de dochter van [naam 6] en verzoekster.
- [naam 6] is op [datum] te [plaats] , Argentinië, overleden.
- Bij beschikking d.d. 13 januari 2014 van deze rechtbank is op verzoek van [naam 1] het vaderschap van [naam 6] over [de minderjarige 2] vastgesteld. In de procedure die tot deze beschikking heeft geleid is een rapport van DNA-onderzoek van 21 februari 2011 overgelegd. Bij dit onderzoek is DNA onderzocht van [de minderjarige 2] , [naam 1] , [naam 3] en [naam 2] . De conclusie luidde dat de verkregen resultaten compatibel waren met het bestaan van een biologische vaderschapsband van een kind van [naam 3] en van [naam 2] ten aanzien van de minderjarige [de minderjarige 2] met een kans op genoemde band hoger dan 99,99%, met andere woorden dat het hoogstwaarschijnlijk was dat [de minderjarige 2] een kleindochter van de ouders van [naam 6] is.
- De beschikking d.d. 13 januari 2014 is bij beschikking van deze rechtbank d.d.
7 april 2014 verbeterd in die zin dat de geboorteplaats van [de minderjarige 2] luidt: [geboorteplaats] , Argentinië.
- Bij beschikking d.d. 23 september 2015 van het gerechtshof Den Haag is het door verzoekster ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank d.d. 13 januari 2014 verworpen.

Beoordeling

Het verzoek is gegrond op het bepaalde in artikel 390 jo Pro. 382 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Op grond van deze bepalingen kan een beschikking die in kracht van gewijsde is gegaan op verzoek van de oorspronkelijke verzoeker of van een belanghebbende worden herroepen indien:
a. de beschikking berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd,
b. de beschikking berust op stukken, waarvan de valsheid na de beschikking is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of
c. de partij na de beschikking stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
Ontvankelijkheid
Vooraleerst constateert de rechtbank dat [de minderjarige 1] , op grond van het landelijk procesreglement overige (boek-1)zaken, ten onrechte niet als belanghebbende in de procedure tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap ten aanzien van [de minderjarige 2] is aangemerkt. Nu [de minderjarige 1] in die procedure als belanghebbende aangemerkt had moeten worden, kan verzoekster, als wettelijk vertegenwoordigster van [de minderjarige 1] , in zoverre worden ontvangen in haar verzoek.
Standpunt verzoekster
Verzoekster legt aan haar verzoek ten grondslag dat sprake is van de gronden tot herroeping als genoemd in artikel 390 jo Pro 382 Rv en heeft daartoe – kort weergegeven – het volgende aangevoerd.
- Noch zij, noch haar dochter is als belanghebbende in de procedure strekkende tot de vaststelling van het vaderschap van [naam 6] over het kind [de minderjarige 2] betrokken.
- In de procedure tot vaststelling van het vaderschap ten aanzien van [de minderjarige 2] is [de minderjarige 1] niet betrokken bij het DNA-onderzoek.
- Het DNA-onderzoek in de procedure tot vaststelling van het vaderschap geeft een vertekend beeld; bij dat onderzoek is DNA-materiaal gebruikt van [naam 3] en [naam 2] , de ouders van [naam 6] . Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan niet worden uitgesloten dat de broer van [naam 6] , [naam 4] , die niet betrokken was bij het onderzoek, de verwekker is van [de minderjarige 2] .
- Eerst eind januari 2015 is verzoekster bekend geworden met voormeld DNA-onderzoek en het daarna opgemaakte rapport.
- Op 17 september 2015 heeft verzoekster een DNA-onderzoek laten verrichten waaruit blijkt dat de kans dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] nichtjes van elkaar zijn, groter is dan de kans dat zij zusjes van elkaar zijn.
Beoordeling
Op grond van artikel 383 Rv Pro dient het verzoek tot herroeping te worden ingediend uiterlijk binnen drie maanden nadat de grond voor herroeping is ontstaan en verzoeker daarmee bekend is geworden. Deze termijn vangt niet aan dan nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
Aan het oordeel van de rechtbank ligt thans voor of verzoekster het verzoek tot herroeping tijdig heeft ingediend.
Verzoekster stelt zich op het standpunt dat eerst op 17 september 2015 de herroepingstermijn ex artikel 383 Rv Pro is aangevangen. Zij voert daartoe aan dat uit de resultaten van het door haar verrichte DNA-onderzoek van 17 september 2015 pas echt is gebleken dat het DNA-onderzoek dat in het kader van de vaderschapsprocedure ten aanzien van [de minderjarige 2] is verricht geringe waarde heeft voor het vaststellen van het vaderschap van [naam 6] over [de minderjarige 2] .
De rechtbank overweegt als volgt.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verzoekster in augustus 2010 heeft vernomen dat [naam 6] was overleden. De beschikking d.d. 13 januari 2014 (hersteld op 7 april 2014) strekkende tot vaststelling van het vaderschap van [naam 7] ten aanzien van [de minderjarige 2] is op 18 november 2014 via notaris [naam 7] en de advocaat van verzoekster ter kennis van verzoekster gekomen. De rechtbank stelt vast dat de beschikkingen van 13 januari 2014 en 7 april 2014, nu verzoekster op 18 november 2014 daarmee bekend is geworden, op 18 februari 2015 in kracht van gewijsde zijn gegaan.
Eerst op 20 juli 2015 heeft verzoekster hoger beroep tegen de beschikking van 13 januari 2014 ingesteld. Het gerechtshof Den Haag heeft het hoger beroep, na intrekking van het hoger beroep door verzoekster, bij beschikking d.d. 23 september 2015 verworpen. Ter zitting heeft verzoekster toegelicht dat zij het hoger beroep heeft ingetrokken omdat ook zij van mening was dat de hoger-beroepstermijn op de datum van indiening van het hoger beroep reeds was verstreken.
Het verzoek tot herroeping van de beschikking d.d. 13 januari 2014 van deze rechtbank (hersteld op 7 april 2014) heeft verzoekster op 17 november 2015 ingediend.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster heeft verklaard dat zij uiterlijk januari 2015 kennis heeft genomen van de stukken van de vaderschapsprocedure ten aanzien van [de minderjarige 2] , waaronder het in het kader van die procedure overgelegde DNA-onderzoek. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat verzoekster zich onder meer in het kader van de hoger-beroepsprocedure kritisch heeft uitgelaten over laatstgenoemd DNA-onderzoek en erop heeft gewezen dat de uitkomsten van dit DNA-onderzoek de mogelijkheid open laten dat de broer van [naam 6] de vader is van [de minderjarige 2] . De rechtbank is dan ook van oordeel dat het in opdracht van verzoekster verrichte DNA-onderzoek van 17 september 2015, waarin eveneens zowel de mogelijkheid is genoemd dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] zusjes zijn als de mogelijkheid dat zij nichtjes zijn, geen nieuwe informatie oplevert die leidt tot het ontstaan van een grond tot herroeping, dan wel het bekend worden van verzoekster met een grond voor herroeping.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de termijn voor indiening van het verzoek tot herroeping is gaan lopen op 18 februari 2015, de datum waarop de beschikkingen in kracht van gewijsde zijn gegaan.
Verzoekster heeft het verzoek pas op 17 november 2015 en aldus te laat ingediend. Verzoekster dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek.
Proceskosten
Verzoekster heeft verzocht [naam 1] in de proceskosten van de onderhavige procedure te veroordelen.
[naam 1] heeft gesteld dat verzoekster misbruik maakt van haar procesrecht door onderhavig verzoek in te dienen. [naam 4] heeft gesteld dat verzoekster geen belang heeft bij haar verzoek. Beiden verzoeken - op de door hun gestelde gronden - verzoekster te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, waarbij zij er ook op wijzen dat verzoekster al voor aanvang van deze procedure inzage heeft gehad in een aanvullend rapport van DNA-onderzoek waaruit volgt dat [naam 4] niet de vader van [de minderjarige 2] kan zijn.
De rechtbank ziet, gelet op hetgeen over en weer naar voren is gebracht, geen aanleiding om af te wijken van hetgeen gebruikelijk is in procedures van familierechtelijke aard en zal gelet hierop de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het verzoek tot herroeping;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.D. Bellaart, M.P. Verloop en O.F. Bouwman, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2016.