ECLI:NL:RBDHA:2016:5263

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2016
Publicatiedatum
17 mei 2016
Zaaknummer
C/09/503074 / FA RK 16-100
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:205a BWArt. 1:205 BWArt. 1:198 lid 1 sub c BWArt. 1:212 BWArt. 1:203 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding verzoek tot vernietiging erkenning duo-moeder wegens biologische verwantschap en paspoortproblemen

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot vernietiging van de erkenning door de duomoeder van een minderjarig kind, vertegenwoordigd door een bijzondere curator. De duomoeder had het kind erkend, maar er bestond twijfel over haar biologische verwantschap met het kind. Tevens was er een probleem met het verkrijgen van een Pools paspoort, omdat in Polen geen geboorteakte met twee moeders wordt geaccepteerd.

De rechtbank stelde vast dat zij bevoegd was en Nederlands recht van toepassing was. Hoewel de moeder en duomoeder instemden met het verzoek, achtte de rechtbank nader bewijs nodig over de biologische moederrelatie, bijvoorbeeld via een verklaring van de kliniek waar de ivf-behandeling plaatsvond. Ook wilde de rechtbank duidelijkheid over de vraag of na vernietiging van de erkenning de Poolse autoriteiten wel een paspoort zouden afgeven.

Daarnaast werd het belang van het kind en het behoud van de juridische familieband met de duomoeder zwaar meegewogen. De rechtbank vroeg om nadere informatie over de mogelijkheden om de juridische band na vernietiging te herstellen, en over alternatieve stappen zoals naturalisatie of adoptie in Polen. De behandeling werd pro forma aangehouden om partijen de gelegenheid te geven deze informatie aan te leveren en hun standpunten te verduidelijken.

Uitkomst: De rechtbank houdt de behandeling van het verzoek tot vernietiging van de erkenning pro forma aan voor nader bewijs en informatie.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 16-100
Zaaknummer: C/09/503074
Datum beschikking: 13 mei 2016

Vernietiging erkenning

Beschikking op het op 6 januari 2016 ingekomen verzoek van:

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. I.G.M. van Gorkum,
advocaat te ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende te [woonplaats] .
advocaat: mr. C.A. Lucardie te ’s-Gravenhage,

[de duomoeder] ,

de duomoeder,
wonende te [woonplaats] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief d.d. 28 januari 2016, met bijlagen, van de zijde van de minderjarige;
- de schriftelijke verklaring van de moeder en de duomoeder d.d. 2 februari 2016 waarin zij instemmen met toewijzing van het verzoek, althans verklaren geen verweer wensen te voeren en geen gebruik te willen maken van hun recht om door de rechter te worden gehoord.
Op 11 april 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de bijzondere curator namens de minderjarige, de moeder met haar advocaat en de duomoeder. De moeder en de duomoeder waren vergezeld van een tolk:
[naam] . De bijzondere curator heeft ter zitting een nader stuk overgelegd.

Verzoek

Het verzoekschrift strekt tot vernietiging van de erkenning door de duomoeder van de minderjarige, kosten rechtens.

Feiten

  • De moeder en de duomoeder hebben een affectieve relatie met elkaar.
  • Uit de moeder is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [woonplaats] .
- De minderjarige is op 24 juni 2014 door de duomoeder erkend.
- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarige
belast.
  • De moeder, de duomoeder en de minderjarige hebben de Poolse nationaliteit.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 14 december 2015 is mr. I.G.M. van
Gorkum voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige
ingevolge artikel 1:212 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de minderjarige haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter, gelet op het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met betrekking tot het verzoek tot vernietiging van de erkenning rechtsmacht toe.
Op grond van het bepaalde in artikel 10:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) juncto artikel 10:95 BW Pro wordt de vraag op welke wijze een erkenning kan worden tenietgedaan, wat betreft de bevoegdheid van de persoon die het kind heeft erkend en de voorwaarden voor de erkenning, bepaald door het recht dat op de erkenning van de minderjarige is toegepast. Blijkens de geboorteakte van de minderjarige en de hieraan toegevoegde latere vermelding betreffende erkenning, is Nederlands recht op de erkenning toegepast. Daarom zal de rechtbank ook Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vernietiging van de erkenning.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:205a BW, eerste lid aanhef en onder a, kan een verzoek tot vernietiging van de door de moeder gedane erkenning, op de grond dat zij niet de biologische moeder van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend door het kind zelf (tenzij de erkenning gedurende diens meerderjarigheid is gedaan). Op grond van artikel 1:205a BW, vierde lid, juncto artikel 1:205 BW Pro, vierde lid, dient het verzoek door het kind te worden ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de moeder niet zijn biologische moeder is of, indien dit gedurende zijn minderjarigheid is, binnen drie jaren nadat hij meerderjarig is geworden.
De minderjarige wordt, nu het verzoek nog tijdens haar minderjarigheid, dus tijdig, is ingediend, ontvangen in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De bijzondere curator baseert het verzoek op artikel 1:205a jo 1:205 BW. Zij stelt voorts dat de rechtbank bij het beoordelen van het verzoek een belangenafweging dient te maken, waarbij het belang van de minderjarige dient te worden meegewogen.
De bijzondere curator legt aan haar verzoek ten grondslag dat de duomoeder niet de biologische moeder van de minderjarige is. Zij voert voorts namens de minderjarige aan dat dat de erkenning door de duomoeder dient te worden vernietigd omdat dit in het belang van de minderjarige is. Zij stelt dat kader dat is gebleken dat de afgifte van een Pools paspoort op naam van de minderjarige niet mogelijk is, omdat in Polen geen twee moeders op een geboorteakte van een kind vermeld mogen staan, zodat de Poolse autoriteiten de Nederlandse geboorteakte niet kunnen gebruiken om op basis daarvan een paspoort af te geven. Het is voor de minderjarige dus onmogelijk om zich vrij te bewegen, en met name om buiten Nederland te kunnen reizen en familie in Polen te bezoeken. Bovendien dient de minderjarige zich te kunnen identificeren, bijvoorbeeld bij een ziekenhuisbezoek.
De moeder en de duomoeder wensen dat het verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Met invoering van de Wet lesbisch ouderschap per 1 april 2014 is het juridisch moederschap van de vrouw die het kind heeft erkend opgenomen in de wet. Ingevolge artikel 1:198 lid 1 aanhef Pro en sub c BW is de duomoeder moeder van de minderjarige, nu zij de minderjarige heeft erkend.
De gronden voor vernietiging van de door de moeder gedane erkenning zijn, ingevolge artikel 1:205a en 1:205 tweede tot en met vijfde lid, BW, beperkt.
Zoals uit de totstandkomingsgeschiedenis van voornoemde bepaling blijkt, kan in het belang van de rechtszekerheid en in het belang van het kind op een erkenning als de onderhavige niet lichtvaardig worden teruggekomen en dient terughoudendheid te worden betracht met betrekking tot de mogelijkheid om de erkenning te laten vernietigen.
Een verzoek tot vernietiging van de door de moeder gedane erkenning kan, op de grond dat de moeder niet de biologische moeder van het kind is, ingevolge artikel 1:205a BW bij de rechtbank worden ingediend door onder meer het kind zelf. Ook een zeer jong kind kan bij een dergelijk verzoek worden vertegenwoordigd door een bijzondere curator zo heeft de Hoge Raad geoordeeld in een uitspraak van 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:AJ3261. De bijzondere curator dient hierbij wel ook af te wegen of het belang van het kind niet vergt dat een beslissing over de erkenning pas wordt genomen wanneer het kind zelf zich daarover een weloverwogen oordeel kan vormen, aldus de Hoge Raad.
De rechtbank acht het in dit geval, waarin het gaat om een zeer jong kind dat haar mening hierover nog niet kan geven, niet alleen bepalend of voldaan is aan de wettelijke grond dat de duomoeder niet de biologische moeder is van het kind, maar wil eveneens afwegen of het belang van de minderjarige met zich brengt dat met de vernietiging van de erkenning moet worden gewacht totdat het kind zelf zich daarover een weloverwogen oordeel kan vormen. De rechtbank baseert deze opvatting op voornoemde uitspraak van de Hoge Raad waarin wordt overwogen dat voor de gegrondverklaring van de ontkenning een beslissing van de rechter is vereist, die eveneens het belang van het kind centraal dient te stellen.
Hoewel de moeders de stelling van de curator dat de duomoeder niet de biologische moeder van de minderjarige is, niet hebben bestreden, is de rechtbank van oordeel dat dit nog niet voldoende vast staat. Het is immers niet uitgesloten dat de duomoeder door middel van eiceldonatie wel biologisch verwant is aan de minderjarige. Daarom acht de rechtbank het allereerst van belang dat de bijzondere curator nader bewijs levert van haar stelling dat de duomoeder niet de biologische moeder van de minderjarige is, bijvoorbeeld door een verklaring van de kliniek waar de ivf-behandeling van de moeder heeft plaatsgevonden.
Verder is de rechtbank van oordeel dat uit de overgelegde beslissing van het hoofd van het bureau van de burgerlijke stand van Szczecin (Polen) van 17 april 2015 voldoende gebleken dat de Poolse autoriteiten niet overgaan tot het registreren van de geboorteakte van de minderjarige, omdat hierop – kort gezegd – twee moeders staan vermeld. Verder is gebleken dat het verzoek tot afgifte van een paspoort voor de minderjarige onbehandeld blijft door de ambassade van de Republiek Polen wegens het niet herstellen van formele gebreken, waarmee, naar de rechtbank begrijpt wordt gedoeld op het ontbreken van de geregistreerde geboorteakte. Vast staat dus dat de minderjarige in de huidige situatie, waarin twee moeders vermeld staan op haar geboorteakte, geen Pools paspoort kan verkrijgen.
Het gegeven dat aan de minderjarige geen paspoort wordt verstrekt, leidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet direct tot het oordeel dat de erkenning door de duomoeder in het belang van de minderjarige vernietigd dient te worden. Het staat immers geenszins vast dat de Poolse autoriteiten ná vernietiging van de erkenning wel tot afgifte van een paspoort zullen overgaan. Indien de rechtbank overgaat tot vernietiging van de erkenning, wordt immers geen nieuwe geboorteakte opgemaakt met enkel de moeder als ouder, maar wordt op de bestaande geboorteakte (met daarop twee moeders) een latere vermelding geplaatst houdende de vernietiging van de erkenning. De rechtbank is van oordeel dat, voordat wordt besloten tot het doorsnijden van de juridische band met de duomoeder, moet vaststaan dat die beslissing het gewenste effect heeft. De beslissing kan immers niet naderhand worden teruggedraaid op de grond dat deze niet het gewenste effect heeft. Daarom zal de rechtbank de bijzondere curator in de gelegenheid stellen nader te onderbouwen dat de Poolse autoriteiten zullen overgaan tot verstrekking van een paspoort op basis van de bestaande geboorteakte met een latere vermelding houdende vernietiging van de erkenning.
Daarnaast kent de rechtbank bij de afweging van de belangen van de minderjarige groot gewicht toe aan het in stand houden van de bestaande juridische familieband. Daarom wil de rechtbank bij de beslissing over de vernietiging van de erkenning laten meewegen of het wel nodig is de bestaande band met de duomoeder te verbreken en of deze band – zo spoedig mogelijk – na een eventuele vernietiging van de erkenning kan en zal worden hersteld.
De bijzondere curator dient zich, eventueel door tussenkomst van de moeder en de duomoeder, nader uit te laten over de (on)mogelijkheden om, na een eventuele vernietiging van de erkenning de juridische band tussen de minderjarige en de duomoeder te herstellen, nu de rechtbank zich hierover onvoldoende geïnformeerd acht. De moeders hebben wel naar voren gebracht dat zij het belangrijk vinden dat er een band tussen de duomoeder en de minderjarige blijft, maar zij hebben niet laten zien dat zij daartoe concrete stappen hebben gezet. De rechtbank wenst in dit verband nader geïnformeerd te worden over de gevolgen van erkenning bij notariële akte ex artikel 1:203 BW Pro voor het verschaffen van een Pools paspoort, over de mogelijkheid van naturalisatie tot Nederlander, en de mogelijkheid van erkenning in Polen van een adoptie naar Nederlands recht van de minderjarige door de duomoeder.
De moeders zullen zich erover moeten uitlaten of zij bereid zijn een of meer van deze stappen te zetten.
De rechtbank zal de behandeling van de zaak pro forma aanhouden als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de behandeling van het verzoek wordt aangehouden tot
1 september 2016 pro forma;
bepaalt dat de bijzondere curator
uiterlijk vier weken voor de genoemde pro formadatum:
  • stukken overlegt waaruit kan blijken dat de duomoeder niet de biologische moeder van de minderjarige is;
  • stukken overlegt waaruit kan blijken dat de Poolse autoriteiten zullen overgaan tot verstrekking van een paspoort op basis van de bestaande geboorteakte met een latere vermelding houdende vernietiging van de erkenning;
  • zich nader uit laat over de (on-)mogelijkheden om na een vernietiging van de erkenning de juridische band tussen de minderjarige en de duomoeder te herstellen, zoals hiervoor vermeld;
bepaalt dat de moeders zich
uiterlijk vier weken voor de pro forma datumerover uitlaten of zij bereid zijn stappen te zetten tot uitvoering van een of meer van de door de rechtbank gesuggereerde mogelijkheden en zo ja, of zij al concrete uitvoeringshandelingen hebben ondernomen;
bepaalt dat indien partijen aan het hierbij bepaalde geheel of gedeeltelijk niet voldoen, de zaak met toepassing van artikel 22 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal kunnen worden afgedaan;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.D. Bellaart, M.P. Verloop en O.F. Bouwman, tevens kinderrechters, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2016.