ECLI:NL:RBDHA:2016:5474

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2016
Publicatiedatum
19 mei 2016
Zaaknummer
C/09/505216 / HA ZA 16-171
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 lid 3 RvArt. 99 RvArt. 337 lid 2 RvVerordening (EU) nr. 1215/2012
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in bevoegdheidsincident na eerdere beslissing kantonrechter

In deze civiele procedure bij de rechtbank Den Haag vordert gedaagde in het bevoegdheidsincident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de hoofdzaak. Gedaagde baseert zich op de Herschikte EEX-Verordening en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), stellende dat hij woonachtig is in Spanje en dat de Nederlandse rechter daarom geen rechtsmacht heeft.

De kantonrechter had echter reeds bij tussenvonnis in januari 2016 beslist over de internationale en relatieve bevoegdheid, waarbij de rechtbank Den Haag als relatief bevoegd werd aangewezen. Tegen deze beslissing staat enkel hoger beroep open bij het gerechtshof.

De rechtbank oordeelt dat gedaagde daarom niet-ontvankelijk is in het opnieuw aanvoeren van het bevoegdheidsincident. Tevens wijst de rechtbank op artikel 110 lid 3 Rv Pro dat een tweede beoordeling van dezelfde bevoegdheidskwestie in dezelfde procedure niet is toegestaan. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser, begroot op €452,-. De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling van de hoofdzaak.

Uitkomst: Gedaagde wordt niet-ontvankelijk verklaard in het bevoegdheidsincident en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/505216 / HA ZA 16-171
Vonnis in het onbevoegdheidsincident van 11 mei 2016
in de zaak van
[A],
wonende te [woonplaats] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. J.E. van Rossem te Amsterdam,
tegen
[B],
wonende te Spanje,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast te Den Haag.
Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van de kantonrechter in het incident van 5 januari 2016, waarin de zaak is verwezen naar team Handel van deze rechtbank, en de daarin genoemde gedingstukken voor zover betrekking hebbend op de hoofdzaak;
  • de conclusie van eis in incident, houdende exceptie van onbevoegdheid van 27 maart 2016 van de zijde van [B] , met producties;
  • de conclusie van antwoord in het incident van 27 april 2016 van de zijde van [A] .
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het bevoegdheidsincident

2.1.
[B] vordert in het incident - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de vordering in de hoofdzaak, met veroordeling van [A] in de proceskosten in het incident en in de hoofdzaak.
2.2.
Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering stelt [B] - verkort weergegeven - primair dat de Nederlandse rechter noch op basis van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: de Herschikte EEX-Verordening), noch op basis van Rv rechtsmacht toekomt. Zowel in de Herschikte EEX-Verordening als in Rv is de woonplaats van gedaagde doorslaggevend voor de rechtsmacht en volgens [B] is hij woonachtig in Spanje. De alternatieve bevoegdheidsregels leiden evenmin tot rechtsmacht voor de Nederlandse rechter, aldus [B] .
Subsidiair, voor het geval de rechtbank rechtsmacht zou aannemen, heeft de kantonrechter volgens [B] ten onrechte beslist dat de rechtbank Den Haag relatief bevoegd is. Volgens [B] werkt hij in Den Haag maar verblijft hij met zijn gezin in zijn koopwoning in [plaats] . Dat betekent dat de rechtbank Rotterdam relatief bevoegd is op grond van artikel 99 Rv Pro en dat de zaak verwezen moet worden naar de rechtbank Rotterdam.
2.3.
De rechtbank overweegt dat de kantonrechter in de onderhavige zaak reeds heeft beslist op de door [B] opgeworpen exceptie van internationale onbevoegdheid. Tegen deze beslissing staat enkel hoger beroep open (bij het gerechtshof) tegelijk met het eindvonnis van onderhavige rechtbank op grond van artikel 337, tweede lid, Rv. Nu al is beslist op de incidentele vordering is [B] niet-ontvankelijk met betrekking tot zijn onderhavige, ten tweede male in dezelfde zaak opgeworpen, bevoegdheidsincident. Omdat de kantonrechter eveneens heeft beslist omtrent de relatieve bevoegdheid van de rechtbank is [B] evenmin ontvankelijk met betrekking tot zijn subsidiaire vordering. De rechtbank wijst op het bepaalde in artikel 110, derde lid, Rv.
2.4.
In het incident zal [B] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [A] op € 452,- aan salaris advocaat (1 punt x tarief € 452,-).

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
verklaart [B] niet ontvankelijk,
3.2.
veroordeelt [B] in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 452,-,
3.3.
verklaart de kostenveroordeling onder 3.2 uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.4.
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 8 juni 2016 voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van [B] .
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2016 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.type: 1555