ECLI:NL:RBDHA:2016:5580
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid vordering overplaatsing gedetineerde naar ander regime
Eiser is onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf en verblijft sinds januari 2016 in de afdeling Beheersproblematische Gedetineerden (BPG) van een penitentiaire inrichting. Na een incident kreeg hij een strafcel opgelegd en werd hij geselecteerd voor de BPG. Eiser maakte bezwaar tegen deze selectie, dat werd afgewezen. Vervolgens stelde hij beroep in bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), welke ongegrond werd verklaard.
Eiser vordert in kort geding overplaatsing naar een penitentiaire inrichting met een ander regime, dan wel een nieuwe behandeling door de RSJ of het toezenden van rapportages. Hij stelt dat de RSJ-procedure niet voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM Pro en onvoldoende waarborgen biedt, onder meer vanwege het ontbreken van een openbare behandeling en het niet kunnen reageren op stukken.
De rechtbank oordeelt dat de RSJ-procedure in beginsel voldoende waarborgen biedt en dat de klachten van eiser onvoldoende onderbouwd zijn om te concluderen dat artikel 6 EVRM Pro is geschonden. De primaire vordering wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen worden eveneens afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn primaire en meer subsidiaire vorderingen en de subsidiaire vordering wordt afgewezen.