Eisers, vader en zoon, wonen aan een adres waar op 27 november 2014 een groot aantal chemische stoffen werd aangetroffen die mogelijk explosief konden zijn. Na onderzoek door politie, brandweer, EOD en Omgevingsdienst Midden-Holland is geconcludeerd dat de situatie gevaarlijk was en onmiddellijke verwijdering noodzakelijk was. Verweerder heeft daarop spoedeisende bestuursdwang toegepast zonder voorafgaande last, waarbij een erkend bedrijf opdracht kreeg de stoffen te verwijderen en te vernietigen.
Eisers voerden in beroep aan dat de bestuursdwang ten onrechte was toegepast, dat zij niet de mogelijkheid kregen zelf de stoffen te verplaatsen of af te voeren, en dat de hoeveelheden binnen de wettelijke normen vielen. Ook stelden zij dat de bestuursdwang onzorgvuldig was uitgevoerd en dat verweerder niet beschikte over een machtiging tot binnentreden.
De rechtbank overweegt dat bestuursdwang zonder voorafgaande last is toegestaan in spoedeisende gevallen en dat de situatie ter plaatse zodanig was dat onmiddellijke verwijdering noodzakelijk was. De conclusies van het CoPI en de EOD dat de stoffen explosief konden zijn en gevaar opleverden, zijn voldoende onderbouwd. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat verweerder niet in redelijkheid tot bestuursdwang heeft kunnen besluiten.
De rechtbank wijst erop dat de toetsing van bestuursdwang zich beperkt tot de rechtmatigheid van het besluit en niet de feitelijke uitvoering. Het ontbreken van een machtiging tot binnentreden leidde ertoe dat het besluit tot verhaal van kosten werd herroepen. Het verzoek om schadevergoeding wegens vernietiging van de stoffen kan niet worden behandeld omdat dit een feitelijke handeling betreft en niet onder de bevoegdheid van de rechtbank valt.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtbank verklaart zich niet bevoegd kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.