De rechtbank Den Haag behandelde het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leiden om een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van 57 studentenappartementen met een ondergrondse parkeergarage. De vergunning omvatte een binnenplanse afwijking van de bouwhoogte van 11 meter naar 12,10 meter. Eisers voerden onder meer aan dat de parkeerdruk onacceptabel zou toenemen, dat de welstandstoets onvoldoende was gemotiveerd en dat het besluit niet rechtsgeldig was bekendgemaakt.
De rechtbank oordeelde dat de binnenplanse afwijking binnen de toegestane 10% viel en dat de belangenafweging door verweerder redelijk was gemaakt, waarbij onder meer het bezonningsonderzoek en de schaduwdiagrammen werden betrokken. De parkeerbehoefte was vastgesteld op 14 plaatsen, passend binnen de parkeergarage van 72 plaatsen, waarmee voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig zijn. De rechtbank verwierp het bezwaar dat de parkeerdruk in de omgeving onvoldoende was onderzocht, omdat bestaand parkeertekort buiten beschouwing mag blijven.
Verder werd geoordeeld dat het welstandsadvies van de Welstands- en Monumentencommissie Leiden (WML) terecht doorslaggevend was, ondanks een contra-expertise van eisers die onvolledig was bevonden. Ook werd vastgesteld dat het besluit rechtsgeldig was genomen en bekendgemaakt. Het beroep werd voor zover ontvankelijk ongegrond verklaard, en voor een deel niet-ontvankelijk wegens procedurele tekortkomingen.