ECLI:NL:RBDHA:2016:6297

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2016
Publicatiedatum
7 juni 2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1960
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1 AwbArt. 32 lid 3 Visumcode (EG) 810/2009Art. 84 Vreemdelingenwet 2000Artikel 94 Grondwet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken recht tot beroep voor referent in visumweigering

De zaak betreft een beroep van een referent tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om de visumaanvraag van een vreemdeling voor kort verblijf af te wijzen. De referent, die familie van de vreemdeling is, stelde dat aan alle voorwaarden voor visumverlening was voldaan en dat zij zich garant stelde. Tevens werd aangevoerd dat er onterecht geen hersteltermijn was gegeven om de familieband aan te tonen.

De rechtbank onderzocht ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep van de referent. Op grond van artikel 32 lid 3 van Pro de Europese Visumcode is het recht om beroep in te stellen tegen een visumweigering uitsluitend toegekend aan de aanvrager zelf, niet aan derden zoals referenten. Hoewel de referent als belanghebbende in de zin van artikel 8:1 Awb Pro kan worden aangemerkt, is deze bepaling in dit geval buiten toepassing omdat deze niet verenigbaar is met de Visumcode.

De rechtbank concludeerde dat het beroep van de referent niet-ontvankelijk is en wees het af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.

Uitkomst: Het beroep van de referent tegen de visumweigering is niet-ontvankelijk verklaard omdat alleen aanvragers recht hebben op beroep.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16/1960

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2016 in de zaak tussen

[referente], hierna: referente,

(gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.M.G. Bouma).

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van [vreemdeling]
(de vreemdeling) tot afgifte van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Referente heeft tegen dit besluit op 4 november 2015 een bezwaarschrift ingediend. Op 19 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Referente heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.
De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 19 mei 2016. Referente, haar gemachtigde en verweerder zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft op 29 september 2015 verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en deze afwijzing in bezwaar gehandhaafd. Hieraan heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd. Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf zijn onvoldoende aangetoond. De vreemdeling heeft noch bij de aanvraag, noch in bezwaar, documenten overgelegd ter staving van de (familie)relatie tussen hem en referente, waardoor de gestelde familiale relatie niet aannemelijk is gemaakt en in het verlengde hiervan wordt getwijfeld aan de juistheid van het opgegeven reisdoel, de motieven die aan de visumaanvraag ten grondslag hebben gelegen en het voornemen om het Schengengebied tijdig te verlaten.
2 Referente heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. De vreemdeling is de oom van referente en hij wil graag naar Nederland komen om gedurende zijn vakantie bij zijn familie te verblijven. Referente stelt dat aan alle voorwaarden voor een visumverlening wordt voldaan. Referente beschikt over voldoende duurzame middelen en stelt zich garant en het reisdoel van de vreemdeling is duidelijk. Bovendien is in bezwaar ten onrechte afgezien van het horen van de vreemdeling en zijn referente, terwijl in de beslissing op bezwaar nieuwe afwijzingsgronden zijn geformuleerd, waar referente en de vreemdeling niet op hebben kunnen reageren. Referente stelt voorts dat verweerder pas in het bestreden besluit als weigeringsgrond naar voren heeft gebracht dat er onduidelijkheid bestaat over de familierelatie tussen de vreemdeling en referente. Verweerder heeft referente ten onrechte geen herstelverzuimtermijn gegeven om documenten in te dienen om de familieband aan te tonen. In beroep zijn kopieën van de geboorteaktes van de vreemdeling, referente en de zus van de vreemdeling (tevens de moeder van referente) overgelegd.
3 Ingevolge artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
Ingevolge artikel 94 van Pro de Grondwet vinden binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Volgens paragraaf 3 van de Preambule van de Verordening (EG) 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode), voor zover thans van belang, is de totstandbrenging van een “gemeenschappelijk wetgevingsinstrumentarium” één van de wezenlijke onderdelen van “verdere ontwikkeling van het gemeenschappelijk visumbeleid door verdere harmonisatie van de nationale wetgeving en van de uitvoeringspraktijken van de plaatselijke consulaire vertegenwoordigingen.”
Volgens paragraaf 28 van de Preambule van de Visumcode is de doelstelling van de verordening onder meer het vaststellen van de procedure voor de afgifte van visa.
Ingevolge artikel 32, derde lid, van de Visumcode, voor zover thans van belang, kunnen aanvragers aan wie een visum is geweigerd in beroep gaan.
4. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of referente ontvankelijk is in haar beroep.
4.1.
Ingevolge artikel 32, derde lid, van de Visumcode – voorzover van belang – kunnen aanvragers aan wie een visum is geweigerd in beroep gaan. De rechtbank maakt uit deze bepaling op dat het recht beroep in te stellen tegen het weigeren van een visum alleen wordt toegekend aan aanvragers en niet aan anderen, zoals referenten. Referente kan derhalve niet worden ontvangen in haar beroep gericht tegen het bestreden besluit. Weliswaar kan referente als belanghebbende in de zin van artikel 8:1 van Pro de Awb worden aangemerkt echter de rechtbank is van oordeel dat artikel 8:1 van Pro de Awb in deze buiten toepassing moet worden gelaten omdat deze bepaling niet verenigbaar is met artikel 32, derde lid, van de Visumcode. Immers in de Visumcode is niet opgenomen dat de lidstaten mogen afwijken van de in de Visumcode neergelegde procedure. Daarbij blijkt uit paragrafen 3 en 28 van de Preambule van de Visumcode dat uitdrukkelijk is beoogd gemeenschappelijke regelgeving vast te stellen over onder meer de procedure omtrent de afgifte van visa. Voor een ruimere uitleg van het bepaalde in artikel 32, derde lid, van de Visumcode, ziet de rechtbank dan ook geen ruimte.
5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat referente niet-ontvankelijk is in haar beroep.
6 Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. C. van Oorschot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2016.
Tegen deze uitspraak staat, gelet op het bepaalde in artikel 84, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, geen hoger beroep open.