ECLI:NL:RBDHA:2016:680
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verbod op strafrechtelijke vervolging wegens voorwaardelijk sepot
Eiser werd verdacht van het voorbereiden van een terroristisch misdrijf en ronselen voor de gewapende strijd. Na voorlopige hechtenis en schorsing onder voorwaarden, bood de officier van justitie een voorwaardelijk sepot aan, dat eiser weigerde. Eiser vorderde daarop een verbod op vervolging, stellende dat de Staat het vertrouwensbeginsel had geschonden door niet tot technisch sepot over te gaan.
De rechtbank oordeelde dat eiser ontvankelijk was in zijn vordering, maar dat een voorlopige voorziening geen verklaring van recht kan bevatten. Het vervolgingsmonopolie berust bij het openbaar ministerie, dat ruime beleidsvrijheid heeft. De afspraken van 24 april 2015 hielden niet in dat alleen de positieve ontwikkeling van het denken over IS relevant was, maar ook andere factoren zoals opleiding en familiebanden.
De reclassering rapporteerde in november 2015 zorgelijke ontwikkelingen. De rechtbank vond dat de officier van justitie in redelijkheid kon besluiten het voorwaardelijk sepot aan te bieden en eiser te dagvaarden bij weigering. De vorderingen werden afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verbod op strafrechtelijke vervolging af en veroordeelt eiser in de proceskosten.