Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juni 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de minister van Defensie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
29 augustus 2005 tot 24 november 2014 in aanmerking te komen voor tegemoetkomingen in de reiskosten, huisvestingskosten en voedingskosten die gelden voor militairen die een eigen huishouding voeren. Eiser verwijst bij zijn aanvraag naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3762). In die uitspraak is bepaald dat de in artikel 20 van Pro het Verplaatsingskostenbesluit militairen (VKBM) neergelegde eis van het voeren van een eigen huishouding wegens strijd met artikel 26 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en artikel 1 van Pro de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten.
De in artikel 20 van Pro het VKBM neergelegde aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten bij niet dagelijks reizen, geldt uitsluitend voor militairen die een eigen huishouding voeren. Voor de militair die geen eigen huishouding voert geldt op grond van artikel 21, aanhef en onder a, van het VKBM, een aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten, die beperkt is tot eenmaal per twee weken. De vrijstelling van betaling van een bijdrage voor huisvesting en voeding is afhankelijk van de in artikel 20 VKBM Pro neergelegde aanspraak.
29 augustus 2005 verweerder op goede gronden die aanvraag als bezwaarschrift heeft aangemerkt. Niet is gebleken dat eiser door die handelswijze in zijn processuele belangen is geschaad.
18 juli 2013 heeft toegekend. Aangezien dit een aanspraak is uit een periode in het verleden, meent eiser dat met die uitspraak de CRvB impliciet is teruggekomen op zijn eerdere uitspraak van 11 april 2003. De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet omdat de uitspraak van de CRvB van 24 november 2014 ziet op een procedure waarbij op het moment van indiening van de aanvraag en de daaropvolgende besluitvorming het stellen van de voorwaarde, van het voeren van een eigen huishouding, nog niet door een onherroepelijke uitspraak onverbindend is verklaard. Voorts heeft eiser zich beroepen op de uitspraak van deze rechtbank van 21 oktober 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:13190), waarin de rechtbank aan eiser een tegemoetkoming heeft verleend vanaf 15 december 2013, de datum waarop eiser zijn aanvraag heeft ingediend. Verder heeft de rechtbank in die uitspraak aan eiser voorgehouden dat als eiser meent dat hij recht heeft op een tegemoetkoming voor de periode van 25 april 2012 tot 15 december 2013, hij een aanvraag daartoe dient in te dienen bij verweerder. De rechtbank is van oordeel dat eiser uit de laatste zinssnede geen verwachting kan ontlenen over de kans van slagen van een dergelijk verzoek.
Beslissing
mr. B.J. Platenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2016.