ECLI:NL:RBDHA:2016:8247
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens vermoedelijk overlijden jihadverdachte
De rechtbank Den Haag behandelde de zaak van een verdachte die werd verdacht van het aanzetten tot haat en discriminatie tegen Joden en het uiten van beledigende uitlatingen. De verdachte was sinds augustus 2014 naar Irak vertrokken om zich vermoedelijk bij ISIS aan te sluiten. Diverse mediaberichten en sociale media gaven aan dat hij op 4 februari 2015 een zelfmoordaanslag in Fallujah had gepleegd.
De verdediging stelde dat het vervolgingsrecht was vervallen op grond van artikel 69 Wetboek Pro van Strafrecht, omdat de verdachte waarschijnlijk was overleden. De officier van justitie betwistte dit en stelde dat er onvoldoende zekerheid was over het overlijden.
De rechtbank onderzocht verklaringen van familieleden, mediaberichten, sociale media en een video waarin de verdachte zich voorbereidde op martelaarschap. Hoewel geen stoffelijk overschot of direct bewijs van overlijden was, achtte de rechtbank het overlijden van de verdachte hoogst waarschijnlijk gezien het tijdsverloop en het ontbreken van contact.
Op basis hiervan verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte wegens het vervallen van het vervolgingsrecht door vermoedelijk overlijden.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens vermoedelijk overlijden van de verdachte.