Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , [woonplaats] , [land van herkomst] , eiseres
de korpschef van Politie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
In zijn uitspraak van 26 april 1990, LJN ZB3988 en AB 1991, 157, heeft de Raad zijn rechtspraak inzake de terugvorderingsmogelijkheden in het ambtenarenrecht verfijnd. De Raad is in die uitspraak tot de slotsom gekomen, dat zowel het beginsel van de rechtszekerheid als het beginsel van een evenwichtige afweging van belangen meebrengt, dat ook in het ambtenarenrecht het tijdsverloop een plaats dient te hebben. Wat betreft het ongedaan maken van onverschuldigde betalingen door terugvordering of verrekening dient dit naar het oordeel van de Raad zo te worden geconcretiseerd, dat een administratief orgaan hetgeen aan een ambtenaar onverschuldigd is betaald in beginsel gedurende twee jaren na de dag van uitbetaling kan terugvorderen of verrekenen indien de ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel ontving, welke termijn tot vijf jaren kan worden verlengd indien de ambtenaar van de gemaakte fout niet alleen kennis droeg of redelijkerwijs had kunnen dragen maar die fout bovendien door zijn toedoen is ontstaan. Deze uitspraak is de eerste in een lange reeks waaruit blijkt van vaste rechtspraak van de Raad. De inwerkingtreding van de Wet Boeten en Maatregelen, Terug- en Invordering Sociale Zekerheid (wet BMTI) heeft hierin geen verandering gebracht (bijvoorbeeld CRvB 24 februari 2000, LJN AA5418 en TAR 2000, 50, en CRvB 7 september 2006, LJN AY8132 en TAR 2006, 191). Deze rechtspraak is uitdrukkelijk gebaseerd op het beginsel van de rechtszekerheid en dat van een evenwichtige belangenafweging. De inwerkingtreding van de wet BMTI kan hier daarom niet van beslissende betekenis zijn.”