ECLI:NL:RBDHA:2016:9124
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens niet-tijdige nareis
De zaak betreft een aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis, die ruim drie maanden na het verlenen van een verblijfsvergunning aan de referent werd ingediend. De staatssecretaris wees de aanvraag af vanwege het niet tijdig indienen binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van drie maanden.
Eiseres voerde aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht vanwege miscommunicatie met VluchtelingenWerk Nederland en verwees naar het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel uit de Gezinsherenigingsrichtlijn. De rechtbank oordeelde dat de intentie om tijdig een aanvraag in te dienen onvoldoende is en dat de verantwoordelijkheid voor tijdige indiening bij eiseres en referent ligt.
De rechtbank stelde vast dat er geen bewijs was dat de aanvraag daadwerkelijk binnen de termijn was ingediend of dat sprake was van overmacht. Ook werd geoordeeld dat het hanteren van de drie maanden-termijn niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, aangezien vluchtelingen nog steeds een reguliere verblijfsvergunning kunnen aanvragen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde de afwijzing van de aanvraag wegens niet-tijdige indiening.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt afgewezen wegens niet-tijdige indiening.