ECLI:NL:RBDHA:2016:915
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- H.N. Pabbruwe
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring bezwaar tegen bepalen en verwerken DNA-profiel bij lichte diefstal
De rechtbank Den Haag behandelde het bezwaar van een veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De veroordeelde was veroordeeld voor diefstal door middel van inklimming, gepleegd als 16-jarige onder invloed van alcohol tijdens een vakantie met vrienden. De opgelegde straf was een geheel voorwaardelijke werkstraf van 10 uur met een proeftijd van 2 jaar.
De officier van justitie had een bevel gegeven tot afname van celmateriaal, maar het bezwaar werd tijdig ingediend en behandeld. De rechtbank overwoog dat DNA-onderzoek bij deze lichte en incidentele gedragingen geen bijdrage kan leveren aan opsporing en vervolging van toekomstige strafbare feiten. De persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, waaronder het ontbreken van een strafblad behalve deze veroordeling, zijn studie- en werkambities, en het stoppen met omgang met betrokken vrienden, wezen op een lage kans op recidive.
Gelet op deze bijzondere omstandigheden en de aard van het misdrijf, oordeelde de rechtbank dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel niet van betekenis zou zijn voor toekomstige opsporing. Daarom werd het bezwaar gegrond verklaard en werd de officier van justitie bevolen het afgenomen celmateriaal te vernietigen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is gegrond verklaard en het afgenomen celmateriaal wordt vernietigd.