ECLI:NL:RBDHA:2016:917
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- H.N. Pabbruwe
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen DNA-afname bij veroordeelde wegens geweldsfeiten ongegrond verklaard
De veroordeelde was bij uitspraak van 11 juli 2014 door de kinderrechter veroordeeld voor openlijke geweldpleging en vernieling, met een werkstraf en proeftijd. Op 5 oktober 2015 werd op bevel van de officier van justitie celmateriaal afgenomen voor DNA-onderzoek. De veroordeelde maakte bezwaar tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel.
De rechtbank behandelde het bezwaar op 19 januari 2016, waarbij de veroordeelde niet aanwezig was, maar zijn raadsman wel. De rechtbank oordeelde dat de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van toepassing is en dat het DNA-profiel nog niet was bepaald. Er was geen sprake van een uitzondering op grond van artikel 2 van Pro de Wet DNA, noch was aannemelijk dat het DNA-profiel niet van belang zou zijn voor toekomstige opsporing of vervolging.
De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad, die stelt dat er geen verdere belangenafweging plaatsvindt buiten de twee genoemde uitzonderingen in de wet, en dat ook geen onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarige en minderjarige veroordeelden. Gezien de aard van de geweldsfeiten en de recidive van de veroordeelde, werd het bezwaar ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel wordt ongegrond verklaard.