ECLI:NL:RBDHA:2016:9355
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag en overdracht aan Italië op grond van Dublinverordening
Eiser, een Oekraïense nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 8 april 2016 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac-onderzoek bleek dat eiser in het bezit was van een geldig Schengenvisum afgegeven door Italië en dat Italië verantwoordelijk was voor de asielaanvraag. Verweerder besloot tot overdracht aan Italië op grond van artikel 18 van Pro de Dublinverordening.
Eiser betwistte de toepassing van artikel 18 en Pro verwees naar het arrest Ghezelbash van het Hof van Justitie EU, stellende dat de criteria uit hoofdstuk III van de Dublinverordening onjuist waren toegepast en dat de termijn voor een claim op grond van artikel 12 was Pro verstreken. Tevens voerde eiser aan dat hij familiebanden had met een broer die in Nederland asiel had aangevraagd, wat volgens hem een uitzondering zou kunnen rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelde dat het aanhalen van artikel 18 door Pro verweerder en Italië niet betekent dat de Dublincriteria onjuist zijn toegepast. Het feit dat eiser een geldig Schengenvisum had dat nog geen zes maanden verlopen was bij de aanvraag, maakt Italië verantwoordelijk. De gestelde familieband werd niet aannemelijk gemaakt en er waren geen omstandigheden die toepassing van artikel 17 rechtvaardigden Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen en overdracht aan Italië wordt ongegrond verklaard.