ECLI:NL:RBDHA:2016:9569
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak bedreiging wegens onvoldoende bewijs in zaak Linschoten
Verdachte werd beschuldigd van het stelselmatig bedreigen van het slachtoffer in Linschoten, onder meer via telefoongesprekken en voicemailberichten gericht aan de echtgenote van het slachtoffer. De tenlastelegging omvatte bedreigingen met woorden van dreigende aard en het maken van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.
Tijdens de terechtzitting op 4 juli 2016 voerde de verdediging aan dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk was vanwege het late indienen van een vereiste klacht, maar de rechtbank oordeelde dat het OM wel ontvankelijk was. De officier van justitie vorderde vrijspraak van belaging maar een veroordeling voor bedreiging met een gevangenisstraf van twee weken.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig was voor zowel belaging als bedreiging. De voicemailberichten waren niet overtuigend aan verdachte toe te schrijven en het telefoongesprek toonde niet aan dat verdachte de meest ernstige bedreigingen had geuit. Bovendien kon uit de context en verklaring van het slachtoffer niet worden afgeleid dat er redelijke vrees voor een levensdelict of zware mishandeling was.
Hierdoor sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten en hief het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis op. Dit vonnis werd uitgesproken op 7 juli 2016 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van bedreiging en belaging wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.