ECLI:NL:RBDHA:2016:9838
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Opname vaststellingsovereenkomst ouderlijke verantwoordelijkheid bij internationale kinderontvoering
De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot opname van een tussen ouders gesloten vaststellingsovereenkomst in een beschikking over internationale kinderontvoering. Eerder was bij tussenbeschikking de terugkeer van het minderjarige kind naar België gelast.
De ouders hadden tijdens de procedure een spiegelovereenkomst gesloten in cross border mediation, waarin zij afspraken maakten over de ouderlijke verantwoordelijkheid. De rechtbank oordeelde dat zij bevoegd was op grond van artikel 12 lid 3 EG Pro-Verordening 2201/2003, omdat het kind een nauwe band met Nederland heeft en beide ouders de Nederlandse rechter bevoegd hadden verklaard.
De rechtbank besloot het verzoek toe te wijzen en nam de vaststellingsovereenkomst, gedateerd 12 juni 2016, op in de beschikking. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hiermee werd de regeling tussen de ouders juridisch bindend gemaakt na de teruggeleiding van het kind.
Uitkomst: De rechtbank nam de vaststellingsovereenkomst over de ouderlijke verantwoordelijkheid op in de beschikking en verklaarde deze uitvoerbaar bij voorraad.