ECLI:NL:RBDHA:2017:10092
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiseres, een Pakistaanse vrouw, heeft namens zichzelf en haar twee kinderen een visum voor kort verblijf aangevraagd om een familielid in Nederland te bezoeken. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft dit visum geweigerd omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het verblijf niet voldoende aannemelijk had gemaakt en onvoldoende sociale en economische binding met Pakistan kon aantonen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres geen sterke sociale binding met Pakistan heeft, mede omdat zij weduwe is en met haar kinderen naar Nederland wil reizen, waardoor het zwaartepunt van haar sociale binding verschuift. Ook is onvoldoende bewijs geleverd van economische binding, aangezien de door eiseres overgelegde arbeidsovereenkomst en werkgeversverklaring niet overtuigend waren en het gestelde inkomen niet aannemelijk kon worden gemaakt.
Daarnaast is het bezwaar van eiseres tegen het niet-horen in de bezwaarprocedure ongegrond, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was en het horen geen invloed zou hebben gehad op de beslissing. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende sociale en economische binding met het land van herkomst.