ECLI:NL:RBDHA:2017:10435

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 september 2017
Publicatiedatum
13 september 2017
Zaaknummer
C/09/537146 / FT RK 17/1381 / FT RK 17/1382
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 FaillissementswetArt. 33 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw bij ontstaan belastingschulden

Verzoekers hebben op 28 juli 2017 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft dit verzoek op 29 augustus 2017 behandeld en verzoekers zijn ter zitting gehoord.

De rechtbank toetst de goede trouw van verzoekers bij het ontstaan en het onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Uit de stukken blijkt dat de schuld aan de belastingdienst (€81.545) bestaat uit terug te betalen kinderopvangtoeslagen over de jaren 2010 tot en met 2013. De rechtbank gaat ervan uit dat de toeslagen bewust zijn gebruikt voor andere doeleinden dan de kinderopvang, waardoor de terugvordering is ontstaan.

De omvang van de bedragen en het gebruik van de toeslagen voor andere schulden dan die van verzoekster maken dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan. Hoewel de belastingaanslagen op naam van verzoekster staan, acht de rechtbank ook verzoeker niet te goeder trouw, mede omdat hij een schuld aan een kinderopvanginstelling heeft en vermoedelijk ook heeft geprofiteerd van de toeslagen. Daarnaast kan verzoeker op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen hoofdelijk aansprakelijk zijn.

Gezien deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat geen van beide verzoekers te goeder trouw is geweest bij het ontstaan van de belastingschulden en wijst het verzoek tot schuldsaneringsregeling af.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van de belastingschulden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer
rekestnummer: C/09/537146 / FT RK 17/1381 / FT RK 17/1382
uitspraakdatum: 12 september 2017
(verzoekers)
(adres)
(postcode, plaats)
verzoekers,
hebben op 28 juli 2017 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is op 29 augustus 2017 behandeld. Verzoekers zijn ter zitting verschenen en gehoord.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Ingevolge artikel 288 lid 1 sub b van Pro de Faillissementswet wordt het verzoek slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekers ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest. Deze goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan verzoekers dienen te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin verzoekers een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoekers wat betreft hun inspanningen de schulden te voldoen of acties hunnerzijds om verhaal door de schuldeisers te frustreren en dergelijke.
Uit stukken die ter terechtzitting zijn overgelegd blijkt de schuld van verzoekster aan de belastingdienst (€ 81.545,- in totaal) die onder meer bestaat uit terug te betalen kinderopvangtoeslag voor de jaren 2010 (€ 14.655,-), 2011 (€ 11.632,-), 2012 (€ 27.940,-) en 2013 (€ 26.910,-). Op grond hetgeen schuldenaren ter terechtzitting naar voren hebben gebracht, gaat de rechtbank er van uit dat de kinderopvangtoeslag bewust is aangewend voor andere doelen dan het betalen van de kinderopvang en dat hiermee voor lief is genomen dat dit tot terugvordering door de belastingdienst zou leiden. De aldus ontstane enorme schulden zijn niet te goeder trouw ontstaan. Dit wordt niet anders door de gegeven verklaring dat de toeslagen zijn aangewend voor het betalen van (andere) schulden, temeer niet gezien de omvang van de bedragen waar het om gaat. De belastingaanslagen die op terug te betalen kinderopvangtoeslag betrekking hebben staan op naam van verzoekster. De rechtbank acht verzoeker evenwel evenmin te goeder trouw ten aanzien van het ontstaan deze schulden aan de belastingdienst. Verzoekers wonen sinds 2002 samen en verzoeker heeft een schuld aan een kinderopvanginstelling op zijn naam staan. Ook verzoeker heeft geprofiteerd van de ontvangen kinderopvangtoeslagen aangezien het aannemelijk is dat die toeslagen ten bate zijn gekomen van de gezamenlijke kosten van de huishouding en niet aannemelijk is gemaakt dat met de toeslagen alleen schulden van verzoekster zijn betaald. Dat de schuld aan de belastingdienst op naam van de vrouw staat doet hier niet aan af. Nu anderszins niets is gesteld of gebleken, valt bovendien niet uit te sluiten dat verzoeker op grond van het bepaalde in artikel 33 lid 1 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) hoofdelijk aansprakelijk is voor de verschuldigde terugvorderingsbedragen. Een en ander maakt dat de rechtbank er van uitgaat dat beide schuldenaren niet te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan van de hier bedoelde belastingschulden. De verzoeken zullen worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:
wijst af het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van:
(naam verzoeker)
(geboortedatum, land)
en
(naam verzoekster)
(geboortedatum, land)
(adres)
(postcode, plaats)
Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 september 2017 in tegenwoordigheid van M. Ochalhi, griffier.