ECLI:NL:RBDHA:2017:10435
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw bij ontstaan belastingschulden
Verzoekers hebben op 28 juli 2017 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft dit verzoek op 29 augustus 2017 behandeld en verzoekers zijn ter zitting gehoord.
De rechtbank toetst de goede trouw van verzoekers bij het ontstaan en het onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Uit de stukken blijkt dat de schuld aan de belastingdienst (€81.545) bestaat uit terug te betalen kinderopvangtoeslagen over de jaren 2010 tot en met 2013. De rechtbank gaat ervan uit dat de toeslagen bewust zijn gebruikt voor andere doeleinden dan de kinderopvang, waardoor de terugvordering is ontstaan.
De omvang van de bedragen en het gebruik van de toeslagen voor andere schulden dan die van verzoekster maken dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan. Hoewel de belastingaanslagen op naam van verzoekster staan, acht de rechtbank ook verzoeker niet te goeder trouw, mede omdat hij een schuld aan een kinderopvanginstelling heeft en vermoedelijk ook heeft geprofiteerd van de toeslagen. Daarnaast kan verzoeker op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen hoofdelijk aansprakelijk zijn.
Gezien deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat geen van beide verzoekers te goeder trouw is geweest bij het ontstaan van de belastingschulden en wijst het verzoek tot schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van de belastingschulden.