Een militair maakte bezwaar tegen het besluit van de minister van Defensie om hem geen vrijstelling te verlenen voor de bijdrage in huisvestings- en voedingskosten. De militair woont op 67 km afstand van zijn werkplek en heeft legering op een kazerne op meer dan 70 km afstand. Hoewel de regelgeving vereist dat een militair die niet dagelijks reist en aanspraak heeft op een reiskostenvergoeding vrijstelling krijgt, werd dit geweigerd omdat de militair geen eigen huishouding voert.
De rechtbank stelde vast dat de militair aan de voorwaarden voldoet om vrijstelling te krijgen, mede omdat het vereiste van een eigen huishouding onverbindend is verklaard door de Centrale Raad van Beroep. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit vernietigd moet worden en dat de salarisstroken met inhoudingen herroepen dienen te worden.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van de militair. De rechtbank droeg op binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen die in overeenstemming zijn met deze uitspraak.