ECLI:NL:RBDHA:2017:11027

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 september 2017
Publicatiedatum
27 september 2017
Zaaknummer
NL17.7008
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 18 Verordening EU nr. 604/2013Art. 17 Verordening EU nr. 604/2013Art. 30 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen overdracht asielaanvraag aan Duitsland op grond van Dublinverordening

Eiseres, van Somalische nationaliteit, diende in 2014 als minderjarige een asielaanvraag in Nederland in, die werd afgewezen wegens vertrek met onbekende bestemming. In 2017 diende zij opnieuw een aanvraag in, mede namens haar minderjarige kinderen. Duitsland accepteerde de overdracht van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.

Eiseres betoogde dat de eerdere aanvraag niet correct was bekendgemaakt en dat zij tegen haar wil naar Duitsland was gebracht, waardoor Nederland de aanvraag zou moeten behandelen. De rechtbank oordeelde dat de bekendmaking via haar gemachtigde rechtsgeldig was en dat geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd die een uitzondering op de Dublinverordening rechtvaardigen.

De rechtbank concludeerde dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen de overdracht van de asielaanvraag aan Duitsland wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.7008

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 augustus 2017 (het bestreden besluit).
Het beroep is samen met het door eiseres ingediende verzoek om een voorlopige voorziening (NL17.7009) ter zitting behandeld op 31 augustus 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen N.H. Idris. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en van Somalische nationaliteit. In 2014 heeft - de destijds minderjarige - eiseres een asielaanvraag in Nederland ingediend. Die is afgewezen omdat eiseres met onbekende bestemming was vertrokken alvorens op de aanvraag was beslist. Op 15 juni 2017 heeft eiseres - mede namens haar twee minderjarige kinderen - opnieuw een aanvraag in Nederland tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend (de aanvraag).
2. Het verzoek aan Duitsland om eiseres over te nemen is op 20 juli 2017 geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening EU nr. 604/2013 (de Dublinverordening).
3. Verweerder heeft de aanvraag bij het bestreden besluit niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat Duitsland verantwoordelijk is voor behandeling daarvan.
4. Eiseres heeft daartegen het volgende aangevoerd. Verweerder heeft de beslissing op de door haar in 2014 ingediende asielaanvraag - door toezending aan de gemachtigde van eiseres - niet op de juiste wijze bekend heeft gemaakt, zodat die aanvraag nog openligt en daarop moet worden beslist. Eiseres is na indiening van haar eerste asielaanvraag in 2014 door haar man tegen haar wil naar Duitsland gevoerd, zodat zij nooit heeft kennisgenomen van het besluit. Uit de bij het beroepschrift gevoegde bijlagen blijkt dat eiseres destijds tegen haar wil bij haar man moest verblijven. Verder is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid, nu niet is gevraagd naar de omstandigheden waaronder eiseres naar Duitsland is gebracht. Deze omstandigheden en het feit dat de halfzus van eiseres (sinds 2008) in Nederland woont, maken dat Nederland de aanvraag aan zich zou moeten trekken.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:41, eerste, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen. Indien dat niet mogelijk is, geschiedt bekendmaking volgens het tweede lid op een andere geschikte wijze. Niet in geschil is dat uitreiking van de beslissing op de eerdere asielaanvraag van eiseres niet mogelijk was door toezending of uitreiking aan eiseres. Bekendmaking kon in dat geval plaatsvinden op andere wijze. Met toezending aan de gemachtigde van eiseres is het besluit naar het oordeel van de rechtbank behoorlijk bekendgemaakt. De grond dat op de aanvraag uit 2014 nog moet worden beslist, faalt dan ook.
6. Gelet op het claimakkoord met Duitsland is Duitsland verantwoordelijk voor de aanvraag. Niet gebleken is dat de Duitse autoriteiten eiseres zonodig niet kunnen of willen beschermen tegen de gestelde problemen. Eiseres heeft geen zodanig bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd dat overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. Met de overgelegde stukken is niet aannemelijk geworden dat eiseres onder dwang naar Duitsland is gevoerd en daar drie jaar tegen haar wil verbleef. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar halfzus. Verweerder heeft daarom in redelijkheid de asielaanvraag niet krachtens artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich getrokken.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel