ECLI:NL:RBDHA:2017:11167
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek verklaring van overlijden Syriëstrijder wegens onvoldoende bewijs
De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader van een vermiste Syriëstrijder om een verklaring van overlijden of rechtsvermoeden van overlijden uit te spreken. De vermiste was sinds mei 2014 niet meer bereikbaar, nadat hij zich had aangesloten bij Islamitische Staat in Syrië. Verzoeker baseerde zijn verzoek op berichten, foto's van internet en een telefoontje van een vrouw die beweerde dat de vermiste was doodgeschoten.
Het Openbaar Ministerie voerde verweer en stelde dat er onvoldoende objectief bewijs was om het overlijden met zekerheid vast te stellen. Ook stelde het OM dat de termijn van vijf jaar voor het rechtsvermoeden niet verkort kon worden naar één jaar, omdat de omstandigheden het overlijden niet waarschijnlijk maakten. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van officiële documenten, onduidelijke herkomst van foto's en het feit dat de vermiste mogelijk onder de radar wil blijven, onvoldoende waren om het overlijden als zeker of waarschijnlijk aan te merken.
De rechtbank erkende het belang van het OM als belanghebbende vanwege veiligheids- en maatschappelijke belangen, maar het OM verscheen niet ter zitting. Uiteindelijk wees de rechtbank het verzoek af en handhaafde de wettelijke termijn van vijf jaar voor het rechtsvermoeden van overlijden, waarmee het verzoek niet kon worden toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot verklaring van overlijden en rechtsvermoeden van overlijden wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.