Uitspraak
Rechtbank den haag
- de dagvaarding van 15 februari 2016, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties.
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een geschil tussen Stichting Inkomens Beheer en Bewindvoering als bewindvoerder van een cliënt en een zorgverlener over de verantwoording van een persoonsgebonden budget (PGB). De cliënt had een zorgovereenkomst met de zorgverlener, waarin onder meer begeleiding en bemiddeling waren afgesproken. De zorgverlener heeft echter de PGB-besteding niet adequaat verantwoord richting het Zorgkantoor en heeft een bezwaarschrift te laat ingediend, waardoor het bezwaar niet ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank stelt vast dat de zorgverlener deze zorgtaak weliswaar onverplicht op zich heeft genomen, maar daarbij tekort is geschoten. Dit handelen wordt als onrechtmatig beoordeeld. De cliënt was ten tijde van de overeenkomst meerderjarig en handelingsbekwaam, maar heeft ook een mate van eigen schuld, omdat hij onvoldoende medewerking heeft verleend aan de verantwoording van het PGB.
De rechtbank wijst de vordering deels toe en vermindert de vergoedingsplicht van de zorgverlener met 40% wegens eigen schuld van de cliënt. Daarnaast wordt een billijkheidscorrectie toegepast vanwege de afhankelijkheidsrelatie, waardoor de schadeverdeling wordt vastgesteld op 70% voor de zorgverlener en 30% voor de cliënt. Andere vorderingen, zoals voor belastingen, worden afgewezen omdat de grondslag daarvoor niet is vastgesteld.
De rechtbank wijst een comparitie aan voor nadere toelichting over de mate van eigen schuld en houdt verdere beslissing aan. De zorgverlener wordt aansprakelijk gehouden voor de door de cliënt geleden schade door onvoldoende zorgvuldige verantwoording van het PGB.
Uitkomst: De zorgverlener is aansprakelijk voor de schade door onvoldoende verantwoording van het PGB, met een schadeverdeling van 70% zorgverlener en 30% cliënt.