Uitspraak
[verzoeker]
Beoordeling van het verzoek
Beslissing
- wijst het verzoek toe;
- heft op de lijfsdwang met ingang van het moment dat door of namens veroordeelde een bedrag van € 2.500,- aan het CJIB is overgemaakt.
Rechtbank Den Haag
Veroordeelde is in 2006 veroordeeld voor oplichting en tot betaling van een ontnemingsbedrag van € 98.485,- aan de Staat. Na het niet voldoen aan deze betalingsverplichting is in 2011 lijfsdwang opgelegd voor 360 dagen. In juni 2017 werd een verzoek tot opheffing van de lijfsdwang afgewezen.
Veroordeelde heeft opnieuw een verzoek ingediend tot opheffing van de lijfsdwang. Zijn raadsman betoogde dat het door het CJIB geëiste bedrag van € 6.750,-, dat maandelijks met € 250,- stijgt zolang de lijfsdwang duurt, onbetaalbaar is. Veroordeelde kan echter € 2.500,- ineens betalen en daarna € 250,- per maand, waarbij hij dit bedrag heeft geleend van vrienden.
De rechtbank overweegt dat de lijfsdwang als pressiemiddel heeft gewerkt, maar dat voortzetting ervan het werken en daarmee het voldoen aan de betalingsverplichting belemmert. Gezien de toezegging van veroordeelde acht de rechtbank aannemelijk dat hij na invrijheidstelling aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. Daarom wordt het verzoek tot opheffing van de lijfsdwang toegewezen zodra het bedrag van € 2.500,- is betaald.
Uitkomst: Verzoek tot opheffing van lijfsdwang wordt toegewezen na betaling van € 2.500,- aan het CJIB.