ECLI:NL:RBDHA:2017:11485

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 september 2017
Publicatiedatum
9 oktober 2017
Zaaknummer
NL17.7747
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1 AwbArt. 8:69 AwbArt. 18 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen weigering asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Italië volgens Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank overweegt dat op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel verweerder mag uitgaan van de registratie in Italië, waaronder de geboortedatum van eiser, tenzij eiser aannemelijk maakt dat deze onjuist is. Eiser heeft dit niet voldoende onderbouwd, ondanks het overleggen van een geboorteakte die door verweerder als vals werd beoordeeld.

Verder heeft eiser aangevoerd dat er tekortkomingen zijn in het Italiaanse asiel- en opvangsysteem, waardoor het vertrouwensbeginsel niet zou gelden. De rechtbank volgt dit niet, mede gelet op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Afdeling bestuursrechtspraak, die stellen dat de tekortkomingen niet zodanig ernstig zijn dat overdracht aan Italië verboden is.

De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft besloten dat Italië verantwoordelijk is en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in Italië een situatie zal ondervinden die in strijd is met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag wordt niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.7747

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer).

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17/7748, plaatsgevonden op 19 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.M.R. Zeevaarder. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.
2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser. Uit Eurodac is namelijk gebleken dat eiser op 16 juli 2016 in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Gelet hierop heeft verweerder de Italiaanse autoriteiten op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening verzocht om eiser over te nemen. Op 27 juni 2017 hebben de autoriteiten van Italië in reactie hierop laten weten dat zij de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser op zich nemen. Hiermee staat de verantwoordelijkheid van Italië vast, aldus verweerder.
3. Eiser heeft betoogd dat verweerder ten onrechte uitgaat van de in Italië danwel de in Duitsland geregistreerde geboortedatum van [geboortedatum] 1993 respectievelijk [geboortedatum] 1999 en dat verweerder er daarom ten onrechte vanuit gaat dat hij meerderjarig is. De Italiaanse datum heeft hij in Italië gecorrigeerd. Eiser heeft in Nederland zijn correcte geboortedatum opgegeven en deze ondersteund middels een geboorteakte.
4. De rechtbank overweegt dat uit jurisprudentie van de Afdeling (zie de uitspraak van 9 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2159) volgt dat verweerder er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van uit mag gaan dat de registratie in Italië zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Het is dan ook aan eiser om aannemelijk te maken dat de in Italië geregistreerde geboortedatum onjuist is.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser daarin niet is geslaagd. Hoewel eiser in Nederland altijd heeft verklaard minderjarig te zijn, heeft verweerder terecht van belang geacht dat eiser geen identificerende documenten ter onderbouwing van zijn gestelde geboortedatum heeft overgelegd. De door eiser overgelegde geboorteakte heeft verweerder terecht onvoldoende geacht, omdat dit geen identificerend document is, nog los van de vaststelling door verweerder dat het een vals document betreft. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de enkele, niet nader onderbouwde, stelling van eiser dat het door zijn gemoedstoestand bij aankomst in Italië aannemelijk is dat er een onjuiste geboortedatum is geregistreerd, geen aanleiding geeft om niet langer uit te gaan van de juistheid van de registratie in Italië.
Het voorgaande en eisers verklaring ter zitting dat hij niet meer weet welke geboortedatum hij in Duitsland heeft opgegeven vormen aanwijzingen dat eiser door thans minderjarigheid te stellen de behandeling van zijn asielaanvraag beoogt te beïnvloeden.
De grond faalt.
5. Verder heeft eiser betoogd dat er in Italië aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen bestaan waardoor ten aanzien van Italië niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
De rechtbank overweegt dat verweerder er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel in zijn algemeenheid van mag uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen (jegens eiser) nakomt. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Italië dit niet doet.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens in de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) of artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft in verschillende arresten (zie onder meer het arrest van 26 november 2015 in de zaak J.A. en anderen tegen Nederland, nr. 21459/14, en van 9 juni 2016 in de zaak S.M.H. tegen Nederland, nr. 5868/13) geoordeeld dat de structuur van en de algehele omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem niet zodanig zijn dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest strijdige situatie. Er bestaan tekortkomingen in de opvangvoorzieningen, maar deze zijn niet zo ernstig dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg moeten staan. De Afdeling heeft, onder meer bij uitspraken van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278) en van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73), eveneens geoordeeld dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Eiser heeft geen informatie aangedragen die een wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië geven dan reeds is beoordeeld in de voorgaande uitspraken. Ook in het persoonlijk relaas van eiser heeft verweerder geen aanknopingspunten hoeven aannemen voor het oordeel dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hoewel eiser heeft verklaard dat de opvang waar hij verbleef vies en vol was, volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat hieruit niet blijkt dat eiser in Italië slachtoffer is geworden van behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest.
Voor zover eiser heeft betoogd dat Italië zich niet houdt aan de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en/of de Procedurerichtlijn heeft verweerder terecht, onder verwijzing naar het arrest van het EHRM in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van
2 december 2008 (zaaknr. 32733/08, JV 2009/41), gesteld dat eiser zich hierover dient te beklagen bij de (hogere) Italiaanse autoriteiten dan wel de geëigende instanties. Niet is gebleken dat zij hem niet willen of kunnen helpen.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure. Ten aanzien van Italië kan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Verweerder heeft in het aangevoerde geen aanleiding hoeven zien om het asielverzoek van eiser aan zich te trekken op grond van artikel 3, tweede lid, dan wel artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.M. Bijvank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
25 september 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel