ECLI:NL:RBDHA:2017:11498
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen intrekking en terugvordering bijstand wegens onvoldoende bewijs werkzaamheden
Eisers ontvingen bijstand en werden door verweerder beschuldigd van het verrichten van onbetaalde werkzaamheden en het niet melden daarvan, wat leidde tot intrekking van bijstand en terugvordering van ruim €73.000 over de periode 2011-2014. Het primaire besluit werd gehandhaafd na bezwaar, waarna eisers beroep instelden.
De rechtbank toetste het besluit aan de destijds geldende Wet werk en bijstand (Wwb) en de Participatiewet (Pw). Uit getuigenverklaringen en tapgesprekken bleek dat eiser in de periode december 2012 tot en met december 2013 daadwerkelijk op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte voor een bedrijf, maar voor de overige perioden ontbrak voldoende bewijs. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat eisers in de gehele periode werkzaamheden hadden verricht of frauduleus voordeel hadden genoten.
De rechtbank stelde vast dat het bestreden besluit niet zorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, met name voor de perioden buiten december 2012 tot december 2013. Daarom werd het besluit vernietigd voor zover het de intrekking en terugvordering over die periodes betrof. Verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periodes buiten december 2012 tot december 2013 wordt vernietigd.