Uitspraak
[verdachte] ,
2594 AJ Den Haag, ten kantore van zijn advocaat mr. H.W. van Eeuwijk,
Rechtbank Den Haag
Veroordeelde maakte bezwaar tegen het bevel tot afname en verwerking van zijn DNA-profiel, gegeven ruim negen jaar na zijn veroordeling voor medeplegen van een overtreding van de Opiumwet. De verdediging voerde aan dat het lange tijdsverloop en het ontbreken van recidive tot gegrondverklaring van het bezwaar zouden moeten leiden.
De rechtbank oordeelde dat de wet geen termijn voorschrijft voor het bevel tot DNA-afname, maar dat de wetgever beoogde dat dit zo spoedig mogelijk na veroordeling zou gebeuren. Het verstrijken van ruim negen jaar is evident niet spoedig, maar er waren geen bijzondere omstandigheden die dit konden rechtvaardigen.
De rechtbank stelde dat het belang van voortvarendheid primair ligt bij opsporing en voorkoming van misdrijven en dat de belangen van veroordeelde niet worden geschaad omdat de termijn voor opname in de DNA-databank pas vanaf de einduitspraak loopt. Omdat de verdediging geen andere bijzondere omstandigheden aanvoerde, werd het bezwaar ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de DNA-afname wordt ongegrond verklaard ondanks het lange tijdsverloop sinds de veroordeling.