ECLI:NL:RBDHA:2017:11652
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens ontbreken noodzakelijke en voortvarende identiteitsvaststelling
Eiser is op 17 september 2017 in bewaring gesteld door verweerder op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelt dat de bewaring onrechtmatig is omdat de wettelijke grondslagen ontbreken en verweerder niet adequaat onderzoek heeft verricht naar zijn identiteit.
De rechtbank onderzoekt de toepasselijkheid van de Vreemdelingenwet en de Opvangrichtlijn (2013/33/EU). Volgens deze richtlijn mag bewaring alleen worden toegepast indien noodzakelijk en proportioneel, met concrete en wezenlijke maatregelen om de duur zo kort mogelijk te houden. Verweerder heeft echter geen eigen onderzoek verricht en geen voortvarende stappen genomen om de identiteit van eiser vast te stellen, noch is er overleg geweest over het aanleveren van documenten.
De rechtbank concludeert dat de bewaring niet voldoet aan de vereisten van noodzakelijkheid en voortvarendheid zoals voorgeschreven in de richtlijn en de Vreemdelingenwet. Ook de tweede grondslag voor bewaring, het verkrijgen van gegevens over een uitleveringsverzoek, is onvoldoende gemotiveerd. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard, de bewaring onmiddellijk opgeheven en een schadevergoeding toegekend. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De bewaring wordt onmiddellijk opgeheven en eiser krijgt een schadevergoeding van €400,- toegekend.