ECLI:NL:RBDHA:2017:11834
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.A. Dirks
- T. van Rij
- M.C.J.A. Huijgens
- Rechtspraak.nl
Inkomstenbelastinglatentie bij schenking aandelen met bedrijfsopvolgingsfaciliteit
In deze zaak gaat het om een geschil tussen eiseres en de Belastingdienst over de waardering van de inkomstenbelastinglatentie (IB-latentie) bij de schenking van aandelen waarbij de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) is toegepast.
Eiseres ontving in 2012 het vruchtgebruik van aandelen en stelde dat de IB-latentie volledig in mindering moet worden gebracht op de waarde van de aandelen op basis van nominale waarde, waardoor de belaste verkrijging nihil zou zijn. De Belastingdienst hield vast aan de contante waarde van de IB-latentie en een evenredige toerekening aan het vrijgestelde en belaste deel van de verkrijging.
De rechtbank verwierp het standpunt van eiseres en volgde de Belastingdienst. Zij wees op de duidelijke wettelijke tekst van artikel 20, zesde lid, onder d, van de Successiewet 1956, die uitgaat van de contante waarde van de IB-latentie. Ook oordeelde de rechtbank dat de latentie evenredig moet worden toegerekend aan het vrijgestelde en belaste deel van de verkrijging, conform recente jurisprudentie van de Hoge Raad.
Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt dat de IB-latentie niet volledig in mindering kan worden gebracht op het vrijgestelde deel van de verkrijging om cumulatie van belastingen te voorkomen.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de aanslag schenkbelasting blijft ongewijzigd.