Eisers, een man en vrouw met de Ethiopische nationaliteit, dienden op 14 maart 2017 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Uit Eurodac-gegevens bleek dat eisers eerder in Zwitserland een asielverzoek hadden ingediend en illegaal via Italië de EU waren binnengekomen. Nederland vroeg Italië om terugname, wat Italië op 12 april 2017 accepteerde.
Eisers voerden aan dat zij vanwege de geboorte van hun kind in een kwetsbare positie verkeren en dat Nederland individuele garanties had moeten opvragen, verwijzend naar rapporten over de slechte opvang in Italië. Ook betoogden zij dat zij het EU-grondgebied hadden verlaten door naar Zwitserland te gaan, waardoor Nederland verantwoordelijk zou zijn.
De rechtbank overwoog dat volgens eerdere jurisprudentie de situatie in Italië niet zodanig is verslechterd dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet geldt. Verweerder had voldoende gemotiveerd dat Italië passende opvang garandeert, ook voor gezinnen met minderjarige kinderen. Eisers hadden niet aannemelijk gemaakt dat zij een reëel risico lopen op onmenselijke behandeling. Het beroep op artikel 19, tweede lid, van de Dublinverordening faalde omdat Zwitserland ook gebonden is aan de verordening en het vertrek naar Zwitserland niet als verlaten van het EU-grondgebied wordt gezien.
Gelet op deze overwegingen was het besluit van verweerder om de aanvraag niet in behandeling te nemen terecht en werd het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.