ECLI:NL:RBDHA:2017:12144

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 oktober 2017
Publicatiedatum
25 oktober 2017
Zaaknummer
C/09/15/257 F
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 FwArt. 15b FwArt. 284 FwArt. 285 FwArt. 288 Fw
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot opheffing faillissement en toepassing schuldsaneringsregeling afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid

De rechtbank Den Haag behandelde op 25 oktober 2017 het verzoek van schuldenares tot opheffing van haar faillissement onder gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling. Schuldenares had het faillissement in 2015 gekregen en diende in april 2017 het omzettingsverzoek in. Zij stelde dat zij destijds vanwege psychische problemen haar echtgenoot had gemachtigd haar te vertegenwoordigen en dat zij depressief was.

De rechtbank oordeelde dat schuldenares wel op de hoogte had kunnen zijn van de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, aangezien zij de relevante brief had ontvangen en zelf of via haar gemachtigde bij de faillissementszitting aanwezig was. Er was geen bewijs dat zij of haar echtgenoot niet van deze mogelijkheid gebruik konden maken of geen hulp konden inroepen.

Daarom was er geen sprake van omstandigheden die haar het tijdig indienen van het verzoek konden beletten. Ook ontbrak een bevestiging van een hulpverlener dat haar psychosociale problemen beheersbaar waren, wat vereist is voor toewijzing van het verzoek. De rechtbank verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk en wees erop dat schuldenares na opheffing van het faillissement opnieuw een verzoek kan indienen, mits zij voldoet aan de wettelijke voorwaarden.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het faillissement onder toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer
insolventienummer: C/09/15/000 F
uitspraakdatum : 25 oktober 2017
In het faillissement van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],
woonadres: [postcode woonplaats, adres],
ten tijde van de faillietverklaring
handelend onder de naam [A],
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 00000000,
handelend onder de naam [B],
vestigingsadres: [postcode plaats en adres],
met nevenvestiging [A]
vestigingsadres: [postcode plaats en adres],
met nevenvestiging [C],
vestigingsadres: [postcode plaats en adres],
heeft schuldenares op 30 april 2017 een verzoek ingediend strekkende tot opheffing van het faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Ten aanzien van schuldenares is bij vonnis van [de datum] 2015 het faillissement uitgesproken, met benoeming van, laatstelijk, mr. D. Nobel tot rechter-commissaris. Mr. G. Barendregt, advocaat te Gouda, is benoemd tot curator.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2017. Bij deze behandeling zijn zowel schuldenares als de curator verschenen en gehoord.
De curator heeft eerder schriftelijk geadviseerd over de omzetting.
Schuldenares heeft aangevoerd dat zij destijds om psychische redenen haar echtgenoot heeft gemachtigd om haar op de faillissementszitting te vertegenwoordigen. Gedurende het faillissement is bezwaar gemaakt tegen ambtshalve aanslagen van de belastingdienst en is alsnog belastingaangifte gedaan. Zij is nog steeds depressief, krijgt therapie en slikt antidepressiva.
De rechtbank oordeelt als volgt.
1. Allereerst geldt ten aanzien van de ontvankelijkheid van schuldenares in haar verzoek het volgende.
2. Artikel 15b lid 1, van de Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de gefailleerde het faillissement kan opheffen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn bedoeld in artikel 3, eerste lid, Fw geen verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend.
3. Vast staat dat gefailleerde geen verzoekschrift als hierboven vermeld heeft ingediend. De verklaring van gefailleerde dat zij ten tijde van de behandeling van het faillissementsverzoek depressief was, acht de rechtbank onvoldoende. Zij had immers wel kunnen weten dat die mogelijkheid bestond, aangezien zij de brief als bedoeld in artikel 3, Fw waarin de mogelijkheid het bedoelde verzoek te doen is beschreven, heeft ontvangen; zij is immers ter terechtzitting verschenen, althans zij heeft haar echtgenoot gemachtigd haar belangen ter zitting te behartigen. Gesteld noch gebleken is dat zij, althans haar echtgenoot middels de machtiging, ook toen niet van die mogelijkheid gebruik had kunnen maken. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat gefailleerde geen hulp van anderen had kunnen inroepen voor het indienen van het WSNP-verzoek.
4. De rechtbank is dus van oordeel dat van niet toe te rekenen omstandigheden als vermeld in artikel 15b, Fw geen sprake is, en dat gefailleerde in haar verzoek tot opheffing van het faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5. Vanwege de niet-ontvankelijkverklaring komt de rechtbank (in beginsel) niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek. Ten overvloede overweegt de rechtbank dienaangaande als volgt.
6. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt op grond van artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder c, Fw slechts toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Op grond van hoofdstuk 5.4.3 van het
Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbankenwordt een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat daarvan sprake is, moet worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Een dergelijke bevestiging ontbreekt echter. Reeds dat zou aan de omzetting in de weg hebben gestaan.
7. De rechtbank wijst gefailleerde erop dat het haar vrijstaat na opheffing van het faillissement een verzoek te doen als bedoeld in artikel 284 Fw Pro, met de in artikel 285 Fw Pro bedoelde stukken en/of gegevens. Zij moet er wel rekening mee houden dat de rechtbank alsdan een dergelijk verzoek weer zal toetsen aan het bepaalde in artikel 288 Fw Pro.

BESLISSING

De rechtbank:
- verklaart gefailleerde [verzoekster] voornoemd in haar verzoek tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk.
Gewezen door mr. G.H.M. Smelt en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 oktober 2017 in aanwezigheid van R. Becker, griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.