ECLI:NL:RBDHA:2017:12387
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- T. Sleeswijk Visser-de Boer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod
Verzoekster had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid bij een persoon ontvangen, welke door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie met terugwerkende kracht tot 27 juni 2014 werd ingetrokken. Tevens werd een licht inreisverbod van twee jaar opgelegd. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank.
Verzoekster vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om uitzetting te voorkomen totdat op het beroep was beslist. De voorzieningenrechter overwoog dat op dezelfde dag in een andere procedure het beroep van verzoekster reeds ongegrond was verklaard, waardoor niet langer werd voldaan aan het connexiteitsvereiste van artikel 8:81 Awb Pro.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond bevonden en afgewezen. Er waren geen omstandigheden die tot proceskostenveroordeling leidden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens niet voldoen aan het connexiteitsvereiste.