ECLI:NL:RBDHA:2017:12393

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 oktober 2017
Publicatiedatum
27 oktober 2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 30395
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T. Sleeswijk Visser-de Boer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArtikel 8 EVRMVreemdelingenwet 2000 artikel 14
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van familieleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro. Deze aanvraag is door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie afgewezen bij besluit van 25 februari 2016. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd bij besluit van 9 december 2016 kennelijk ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Tegelijkertijd verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om uitzetting te voorkomen totdat op het beroep is beslist. De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist en aan het connexiteitsvereiste wordt voldaan.

De rechtbank heeft op dezelfde dag in een andere procedure (zaaknummer AWB 16/30394) het beroep van verzoekster ongegrond verklaard. Hierdoor is niet langer voldaan aan het connexiteitsvereiste voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek kennelijk ongegrond is en wees het af. Er werden geen proceskosten toegewezen en het vonnis werd in het openbaar uitgesproken op uiterlijk 12 oktober 2017.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning is afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16/30395
uitspraak van de voorzieningenrechter van uiterlijk 12 oktober 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening van

[verzoekster], verzoekster, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde mr. A. Orhan),
tegen

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.R. Bekink).

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met als doel ‘familieleven op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)’ afgewezen.
Bij besluit van 9 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster kennelijk ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat uitzetting achterwege blijft, totdat op het beroep is beslist.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
2. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Bij uitspraak van heden, in de procedure met zaaknummer AWB 16/30394, heeft de rechtbank het beroep van verzoekster ongegrond verklaard.
3. Nu niet langer wordt voldaan aan het in artikel 8:81 van Pro de Awb neergelegde connexiteitsvereiste, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is.
4. Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb komt mitsdien niet meer voor inwilliging in aanmerking.
5. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de proceskosten van de andere partij, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op uiterlijk 12 oktober 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld