ECLI:NL:RBDHA:2017:12395
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- T. Sleeswijk Visser-de Boer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning medische behandeling
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking 'medische behandeling'. Deze aanvraag werd op 12 mei 2016 door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie afgewezen. Het bezwaar van verzoeker tegen deze afwijzing werd op 16 november 2016 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het beroep was beslist.
De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist en er sprake is van connexiteit met het beroep. Echter, de rechtbank had het beroep van verzoeker reeds ongegrond verklaard in een gelijktijdige procedure, waardoor niet langer aan het connexiteitsvereiste werd voldaan.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond geacht en afgewezen. Verzoeker werd vrijgesteld van het betalen van griffierecht wegens betalingsonmacht. Er werden geen proceskosten aan partijen opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter T. Sleeswijk Visser-de Boer en griffier J.C. de Grauw op 17 oktober 2017.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning is afgewezen wegens ontbreken van connexiteit.