ECLI:NL:RBDHA:2017:12497

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2017
Publicatiedatum
31 oktober 2017
Zaaknummer
AWB 17_1929
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 1 Rva 2005Art. 3 Rva 2005Art. 10 Vreemdelingenwet 2000Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op continuering opvang asielzoeker na beëindiging voorzieningen

Eiser verzocht om continuering van opvangvoorzieningen na bericht van beëindiging door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Na een voorlopige voorziening werd afgewezen, nam verweerder een besluit tot afwijzing van het verzoek. Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit en tegen het bestreden besluit.

De rechtbank oordeelde dat het besluit van 1 februari 2017 een alsnog genomen besluit is, waardoor het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is omdat eiser geen belang bij handhaving van dat beroep heeft gesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond verklaard omdat eiser niet tot de categorieën vreemdelingen behoort die recht hebben op opvang volgens de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005 (Rva 2005).

De rechtbank stelde vast dat er geen bijzondere omstandigheden waren die feitelijke opvang buiten de Rva 2005 rechtvaardigen. Ook de verwijzing naar artikel 3 EVRM Pro bood geen grond voor opvang, omdat geen sprake was van levensbedreigende situatie of ernstige schade. De stelling van eiser dat hij zonder onderdak en inkomen zit, werd niet voldoende onderbouwd en komt overeen met de situatie van andere vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf.

De rechtbank wees het beroep af en legde geen proceskostenveroordeling op. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit tot beëindiging van opvangvoorzieningen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/1929

uitspraak van 17 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.B.G. Gelissen),
en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. Pattiata).

Procesverloop

Verweerder heeft eiser bij brief van 3 januari 2017 bericht per 25 januari 2017 de geboden opvangvoorzieningen krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) te beëindigen.
Eiser heeft verweerder op 23 januari 2017 verzocht de opvang te continueren.
Op 26 januari 2017 heeft eiser beroep ingesteld tegen de fictieve weigering een besluit te nemen en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat aan eiser opvang dient te worden geboden totdat verweerder heeft beslist op het beroep.
Bij uitspraak van 30 januari 2017 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen (AWB 17/1930).
Bij besluit van 1 februari 2017 heeft verweerder het verzoek om continuering van de opvangvoorzieningen afgewezen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2017. Zowel eiser als verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Het besluit van 1 februari 2017 is een alsnog genomen besluit in de zin van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit besluit komt niet volledig tegemoet aan het beroep van eiser. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 1 februari 2017.
Beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
2. Op grond van artikel 6:20, vijfde lid, Awb kan in een situatie waarin alsnog een besluit is genomen, het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond worden verklaard als eiser daar belang bij heeft. Een dergelijk belang heeft eiser niet gesteld en is evenmin gebleken. Nu met het besluit van 1 februari 2017 het (proces)belang bij het ingestelde beroep aldus is komen te vervallen, zal het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk worden verklaard.
3. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beoordeling van het beroep tegen het besluit van 1 februari 2017 (hierna: het bestreden besluit)
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat eiser niet behoort tot een van de categorieën vreemdelingen genoemd in artikel 1, aanhef en onder d, van de Rva 2005 in samenhang met artikel 3, tweede en derde lid, van de Rva 2005. Voorts is er volgens verweerder niet gebleken van zeer bijzondere omstandigheden die tot feitelijke opvang nopen buiten de Rva 2005. Tenslotte wijst verweerder eiser erop dat hij ook in een situatie buiten de opvang op grond van artikel 10 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) aanspraak kan maken op voortgaande medisch noodzakelijke zorg. De enkele omstandigheid dat eiser geen Rva-verstrekkingen meer heeft, leidt niet tot de conclusie dat een eventuele behandeling niet mogelijk is. Daarbij komt dat artsen vanwege de eed van Hippocrates gehouden zijn medisch noodzakelijke behandeling, waaronder medicatie, te verstrekken aan een ieder die dit nodig heeft.
5. Eiser heeft in zijn beroepschrift aangevoerd, kort weergegeven, dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 januari 2017 (AWB 16/30507), waarin deze zijn beroep tegen de afwijzende beschikking op zijn asielaanvraag ongegrond heeft verklaard. Volgens eiser heeft zijn hoger beroep een goede kans van slagen en kan het niet zo zijn dat hij gedurende zijn hoger beroep geen recht meer heeft op opvang en andere voorzieningen. Eiser acht het feit dat hij nu gedwongen op straat moet leven voorts in strijd met artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), temeer nu februari één van de koudste maanden is van het jaar en omdat hij nu niet in contact kan komen met zijn rechtshulpverlener en daardoor niet kan worden opgeroepen voor een zitting en dus ook geen vragen ter zitting kan beantwoorden.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser met het instellen van hoger beroep noch anderszins behoort tot één van de categorieën vreemdelingen genoemd in artikel 1, aanhef en onder d, van de Rva 2005 in samenhang met artikel 3, tweede en derde lid, van de Rva 2005. De rechtbank is tevens van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die tot feitelijke opvang nopen buiten de Rva 2005. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt immers dat uit artikel 3 van Pro het EVRM geen algemene verplichting voortvloeit om vreemdelingen van huisvesting of financiële ondersteuning te voorzien. Het weigeren van verstrekkingen zal dan ook slechts in uitzonderlijke gevallen in strijd komen met artikel 3 van Pro het EVRM. Van zodanige feiten of omstandigheden is slechts sprake in gevallen waarin het achterwege laten van opvang leidt tot een levensbedreigende situatie, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2099). Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval niet gebleken. Dat februari een koude maand is met temperaturen onder het vriespunt is daartoe onvoldoende. De stelling van eiser dat hij thans geen onderdak, kleding, voedsel en inkomsten heeft, is voorts niet gestaafd. Bovendien verschilt eiser daarin niet van andere vreemdelingen van wie de aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen en die thans geen rechtmatig verblijf hebben in Nederland.
7. Gelet op het vorenstaande was verweerder niet gehouden de gevraagde voorzieningen op grond van de Rva 2005 te continueren. Het beroep is dan ook ongegrond.
8. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Dam, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.