ECLI:NL:RBDHA:2017:12505

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 februari 2017
Publicatiedatum
31 oktober 2017
Zaaknummer
AWB - 16/13654
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:82 AwbArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening verbod uitzetting in vreemdelingenzaak

Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier op grond van familieleven volgens artikel 8 EVRM Pro ingediend, welke door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze afwijzing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar is beslist.

De staatssecretaris heeft het bezwaar ongegrond verklaard en het beroep van verzoeker is in behandeling. De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen geschil meer is over het verbod op uitzetting en wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe. De uitzetting wordt verboden tot vier weken na de beslissing op het bezwaar.

Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker en het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter M. Dam op 28 februari 2017 en is niet vatbaar voor hoger beroep.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoeker wordt verboden tot vier weken na beslissing op bezwaar.

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16/13654

uitspraak van 28 februari 2017 in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier, met als doel “familieleven op grond van artikel 8 EVRM Pro”, afgewezen.
Hiertegen heeft verzoeker op 21 juni 2016 bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist (AWB 16/13654).
Bij besluit van 12 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van verzoeker van 21 juni 2016 ongegrond verklaard.
Op 12 december 2016 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (AWB 16/29085). Het eerder ingediende verzoek met kenmerk AWB 16/13654 is thans connex verklaard aan dit beroep.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan - onder meer - indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Bij brief van 24 februari 2017 heeft verweerder verzocht om aanhouding van de behandeling van het beroep, in afwachting op de beslissing op het bezwaar gericht tegen het inreisverbod dat gelijktijdig met het primaire besluit in onderhavige procedure is opgelegd, en voorts medegedeeld zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek, in die zin dat verzoeker niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
3. Nu tussen partijen niet langer in geschil is dat van uitzetting van verzoeker behoort te worden afgezien, bestaat aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
4. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 495,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1, waarde per punt € 495,- ).
5. De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vijfde lid, van de Awb, te bepalen dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht
ad € 168,- zal vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- verbiedt verweerder verzoeker uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
- bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 168,- aan hem vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 495,- te betalen aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Dam, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.