ECLI:NL:RBDHA:2017:12582

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 oktober 2017
Publicatiedatum
31 oktober 2017
Zaaknummer
NL17.9847
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 1 onder d Verordening (EU) 604/2013Verordening (EU) 603/2013Art. 4 Handvest van de EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Italië

Eiser, een Guinese nationaliteit dragende persoon geboren in 1998, diende op 12 mei 2017 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van de Dublinverordening, omdat Italië verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser op 29 juni 2016 illegaal via Italië de EU-buitengrens was binnengekomen en daar ook een asielverzoek had ingediend op 5 september 2016.

De Italiaanse autoriteiten stemden in met de terugname van eiser op basis van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in Italië een verboden behandeling had ondergaan of dat hij geen hulp van Italiaanse autoriteiten zou kunnen krijgen.

De rechtbank vond dat verweerder het besluit voldoende had gemotiveerd en wees het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.9847

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de minister van Veiligheid en Justitie,verweerder
(gemachtigde: drs. J.D. Albarda).

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.9848, plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1998 en de Guinese nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 12 mei 2017 een asielaanvraag ingediend.
2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 29 juni 2016 de buitengrens van de lidstaten die gebonden zijn aan Verordening (EU) 603/2013 (Eurodacverordening) op illegale wijze heeft overschreden via Italië. Verder is gebleken dat eiser op 5 september 2016 in Italië en op 3 januari 2017 in Duitsland een asielverzoek heeft ingediend. Op 14 juni 2017 zijn de Italiaanse autoriteiten gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening (EU) 604/2013 (Dublinverordening). Zij hebben hier op 12 juli 2017 mee ingestemd.
3. Verweerder heeft zich terecht, onder verwijzing naar relevante jurisprudentie, op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië, waardoor er nog steeds uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in het verleden slachtoffer is geworden van een door artikel 4 van Pro het Handvest van de EU verboden behandeling. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij geen hulp zou kunnen inschakelen van de Italiaanse autoriteiten bij problemen. Dat verweerder zou moeten motiveren waaruit blijkt dat hij wel kan klagen bij de autoriteiten ziet de rechtbank niet in. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt waarom in zijn geval aanvullende garanties geboden zouden dienen te worden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit afdoende heeft gemotiveerd. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel