ECLI:NL:RBDHA:2017:12839
Rechtbank Den Haag
- Proceskostenveroordeling
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring wegens gebrekkige motivering
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot intrekking van zijn verblijfsvergunning en zijn ongewenstverklaring. De rechtbank heeft in een tussenuitspraak vastgesteld dat de staatssecretaris niet aannemelijk had gemaakt dat de intrekkingsgrond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 zich voordeed, en verweerder verzocht dit nader te onderzoeken en te motiveren.
Verweerder heeft in zijn reactie gesteld dat artikel 21, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 van overeenkomstige toepassing zou zijn, waardoor bescherming aan minderjarige vreemdelingen niet van toepassing zou zijn op eiser. Echter, de rechtbank oordeelt dat verweerder het gebrek niet heeft hersteld omdat hij niet is ingegaan op de vraag vanaf welke datum eiser rechtmatig verblijf had. Ook is niet onderbouwd waarom artikel 21, vierde lid, relevant is bij intrekking van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover eiser ongewenst is verklaard en voor zover zijn bezwaar tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning niet-ontvankelijk is verklaard. Het besluit blijft in stand voor zover het inreisverbod is opgeheven. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de eerdere tussenuitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning en ongewenstverklaring wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.