ECLI:NL:RBDHA:2017:13015

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 november 2017
Publicatiedatum
10 november 2017
Zaaknummer
NL17.10491
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieVerordening (EU) 604/2013Art. 17 Dublinverordening
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen weigering asielaanvraag wegens Dublinverordening en verantwoordelijkheid Frankrijk

Eiser heeft op 6 juli 2017 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Uit Eurodac-gegevens bleek dat hij eerder in Frankrijk asiel had aangevraagd, waarna Nederland op grond van de Dublinverordening Frankrijk verzocht hem terug te nemen. Frankrijk heeft dit verzoek geaccepteerd.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen of dat de overdracht een situatie veroorzaakt die strijdig is met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro EU. Het enkele feit dat de Franse autoriteiten zijn eerste aanvraag hebben afgewezen, is onvoldoende.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard. De rechtbank stelt dat de risico’s bij terugkeer naar Soedan onderdeel zijn van het asielrelaas dat door Frankrijk moet worden beoordeeld. Nederland heeft terecht geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de aanvraag zelf te behandelen wegens het ontbreken van onevenredige hardheid.

Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en de verantwoordelijkheid voor behandeling ligt bij Frankrijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.10491

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.M. van der Klis).

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.10492, plaatsgevonden op 31 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen de heer Abu Zeid, tolk

Overwegingen

1. Eiser heeft op 6 juli 2017 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 25 november 2015 en op 22 mei 2017 in Frankrijk een verzoek heeft ingediend om internationale bescherming. Verweerder heeft de autoriteiten van Frankrijk op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna de Dublinverordening) op 11 augustus 2017 verzocht om eiser terug te nemen. De Franse autoriteiten hebben middels het claimakkoord van 21 augustus 2017 op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef onder d, van de Dublinverordening hiermee ingestemd.
2. De rechtbank overweegt als volgt.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. Zijn stelling dat Frankrijk niet op zorgvuldige wijze met zijn asielverzoek om zal gaan heeft hij onvoldoende onderbouwd. Het enkel feit de zijn eerste asielaanvraag is afgewezen door de Franse autoriteiten is eveneens onvoldoende. Verweerder heeft zich met de in het besluit gegeven motivering dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzicht van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat met de overdracht van eiser aan Frankrijk een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De rechtbank overweegt verder dat het betoog van eiser over de risico’s die hij loopt bij terugkeer naar Soedan behoort tot zijn asielrelaas en dat dit door de Franse autoriteiten zal moeten worden beoordeeld. Frankrijk heeft het claimverzoek van verweerder (expliciet) aanvaard en zich daarmee verantwoordelijk geacht voor een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag van eiser. Niet is gebleken dat Frankrijk zijn non-refoulementverplichting voortvloeiend uit het EVRM en het Vluchtelingenverdrag niet nakomt.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming van eiser hier te lande te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden niet maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
3. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2017.
Griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel