ECLI:NL:RBDHA:2017:13063
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing faillissementsverzoek wegens onvoldoende summier bewijs hoofdvordering
Verzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek tot faillietverklaring van verweerster ingediend, stellende dat verweerster is opgehouden te betalen. Verweerster laat zowel de vordering van verzoeker als die van de Rabobank onbetaald. De Rabobank is een andere schuldeiser die een procedure tegen verweerster voert, waarin verzoeker verweer voert.
De rechtbank oordeelt dat hoewel verweerster betalingen heeft verricht ter aflossing van de hoofdsom, het bestaan van de hoofdsom niet summierlijk vaststaat. Er is een nauwe samenhang tussen de hoofdsom en de steunvordering, waarbij als verzoeker in de procedure van de Rabobank in het gelijk wordt gesteld, er geen vorderingsrecht meer is van verzoeker op verweerster. Dit maakt het faillissementsverzoek prematuur.
De rechtbank stelt vast dat het verweer van verzoeker in de procedure van de Rabobank niet zonder meer verworpen kan worden en dat onvoldoende summier bewijs is geleverd voor het bestaan van de hoofdvordering. Daarom wordt het faillissementsverzoek afgewezen. Verdere discussie over pluraliteit van schuldeisers en toestand van niet-betaling behoeft geen bespreking meer.
Uitkomst: Het faillissementsverzoek wordt afgewezen wegens onvoldoende summier bewijs van het bestaan van de hoofdvordering.