ECLI:NL:RBDHA:2017:14030
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige wegens verdringingseffect en ontbreken onderscheidende activiteiten
Eiser verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om als zelfstandige te werken bij zijn eenmansbedrijf. De aanvraag werd door verweerder afgewezen op advies van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), die concludeerde dat eiser geen onderscheidende activiteiten verricht en dat zijn onderneming een negatief effect heeft op de markteconomie en werkgelegenheid, het zogenaamde verdringingseffect.
Eiser stelde dat hij onvoldoende gelegenheid had gehad om te reageren op het aanvullende advies van de RVO en dat het besluit in strijd was met het bestuursrecht en internationale bepalingen. Ook voerde hij aan dat het verdringingseffect niet door de RVO was genoemd en dat hij inspeelde op een bestaande vraag in de sector.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht van het deskundigenadvies van de RVO mocht uitgaan, aangezien dit op objectieve en inzichtelijke wijze was onderbouwd en eiser geen concrete aanknopingspunten had gegeven om aan de juistheid te twijfelen. Het aanvullende advies was een nadere nuancering waarop eiser geen nieuwe zienswijze hoefde te geven.
De rechtbank concludeerde dat het verdringingseffect onderdeel is van de beoordeling van het wezenlijk Nederlands belang en dat het ontbreken van onderscheidende activiteiten reeds in 1973 onderdeel was van de toets. De adviezen waren zorgvuldig en inzichtelijk, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning voor zelfstandige arbeid wordt ongegrond verklaard.